Een rupsvoertuig voor de kikkerpoel

Tags

,


De kikkerpoel groeit jaar na jaar een beetje verder dicht. Groeit kleiner, zou je kunnen zeggen. Langs de kant rukt het riet op, de bodem raakt verzadigd met plantenresten, en neerdwarrelende herfstblaadjes doen ook een duit in het zakje. ’s Zomers viel de poel al een paar keer droog. Er moest wat gebeuren.

Het eerste jaar gingen we nog fris van de lever zelf aan de slag. Lieslaarzen aan en de blubber in met handzeis en schop, en een flinke dosis ongefundeerd zelfvertrouwen. Met de hand trokken we worstelstelsels uit een zuigende moddermassa. We zagen zwart drab omhoog borrelen alsof we olie hadden gevonden; we roken een putlucht die bleek te horen bij het rottingsproces in de diepe diepten van de bodem en we tilden onze voeten op – ‘sshhjjllllp’ – terwijl de laarzen onwrikbaar in de vette klei bleven staan. Het viel om den drommel niet mee allemaal.

‘Oer’ genoeg
Laten we het ‘oer’ noemen. We waren lekker oer bezig, maar één keer per jaar was misschien wel oer genoeg. En van een jaartje overslaan, wordt zo’n poel ook niet meteen een labyrintische rimboe, vonden we. Die gedachte hielden we nog een paar opeenvolgende jaren vast, totdat we in het midden van de poel toch iets van een ophoging zagen ontstaan. En het riet op de oever rekte en strekte zich daarnaartoe. De twee wilden elkaar dolgraag eens een keertje ontmoeten, dat zag je zo – ze waren al een eind op weg. Bijna. Bijna, was het ze gelukt. Totdat we een stokje staken voor deze prille liefdesgeschiedenis.

Een Canta op rupsbanden
Afgelopen week was het zover. Er kwam er een klein kraantje voorrijden; een rupsvoertuig met een lange arm en aan het eind een schaar-schep. In het kielzog van het kraantje verscheen ook een kraanmachinist. Hij kwam de kikkerpoel ‘knippen’, zoals hij zei, en klom de cabine in. We zagen het voertuigje naar de poel hobbelen, luid brommend en in een tergend langzaam tempo: een Canta op rupsbanden.

Er ging iets hypnotiserends uit van het reiken en grijpen van de ‘arm’. Met elke haal zagen we weer wat wateroppervlak verschijnen. In een klein uurtje manoeuvreerde de machinist zijn kraantje de hele poel rond. Nu eens als een krabbetje opzij, dan weer balancerend op de helling. En geen enkele keer vergat hij de buffer aan de voorkant uit te klappen, om voorover kukelen te voorkomen.

Kikkers
Eén keer zette hij de motor af. “Hier zit een grote kikker in de modder”, riep hij. We volgden zijn blik en zagen het beestje uiterst traag over de klei kruipen. De machinist liet ‘m rustig naar het water scharrelen waar het de poel overzwom naar rustiger oorden. Hoewel de kikkers zomers met tientallen voor onze voeten wegspringen, zagen we er nu maar een handjevol. Des te beter. De meeste hebben al een schuilplaatsje gevonden voor de naderende winter. Misschien wel dieper in de modder dan waar de schep bij kon.

Volgend jaar hebben ze weer een echte poel. Een met water. Misschien wel het hele jaar door als het meezit. En in elk geval dieper dan hij in lange tijd is geweest. Intussen kijken de lieslaarzen ons wat verwijtend aan. Misschien volgend jaar weer, jongens. Maar ik beloof niks.

Advertenties

Van haardhout, kloofbijlen en foto’s van enkels

Tags



In alle vroegte stond ik me buiten te vergapen aan een zonsopkomst die z’n weerga niet kende. Een spekkoek van kleurlagen; roze, rood, geel, wit, blauw, oranje en alle tinten daar tussenin. In de flarderige lage nevel verderop dansten de witte wieven de horlepiep. Een mooi begin van deze oktoberdag, maar wat killetjes. Geen zorgen, want de nieuwe houtvoorraad voor de kachel is geregeld.

Vorig jaar nog haalden we onze houtjes bij de ‘overburen’ van het landschapsbeheer. Achter ons huis staan wilgen die elke drie jaar door ‘de groene jassen van dienst’ bevrijd worden van hun pruik; takken als mannenarmen en nog dikker. We maken een praatje en altijd hebben ze wat mooie stammen in de aanbieding – berk, beuk, els – die ze vervolgens komen storten.

Liefdevol gekust
Het hout moet dan nog wel een kopje kleiner worden gemaakt met de kettingzaag en daarna gekloofd. Met een kloofbijl – mind you – want een gewone bijl is na één klap een onwrikbaar onderdeel van het hout geworden, zoals wij door schade en schande hebben ondervonden. Ook moeten de blokken nog eerst een jaartje liefdevol worden gekust door zon en wind. Pas dan zijn ze droog genoeg om zelf in vuur en vlam te staan.

Hout te koop
Maar dit jaar doen we ’t anders. Onlangs kwamen we na een autoritje via een landelijk weggetje uit bij een boerderij met een bordje: Hout te koop. We keken om ons heen en zagen nergens hout. Dus stapten we uit.

Donker
In een aanpalend gebouwtje van de boerderij bestierde de vrouw des huizes een winkeltje met streekproducten; groente, fruit, zelfgemaakte jams en sapjes. Er was één klein raam, bijgestaan door een enkel lampje. Na wat rondtasten in het donker troffen we boerin zelve. Hout? Ja hoor. Ze haalde haar man. Want hout, dat is zoals wij allen weten, het onbetwiste terrein van de man.

Vliegtuigloods
En daar was hij al. Kaplaarzen, pet op, wenkbrauwen die een heel eigen leven leidden. Deze boer was ontsnapt uit de tv-serie James Herriot, dat zagen we meteen. Hij troonde ons mee naar een deur die we nog niet eerder hadden ontdekt; het lampje dat daar hing, brandde op halve kracht en zoemde als een bromvlieg. Hij gooide de deur open en toonde ons een hal met het formaat van een vliegtuigloods. Pellets met hout zover de blik reikte. Hoeveel kuub wilden we? Wilden we appelhout, kersenhout, berkenhout, elzenhout? Wilden we een mix?

De prijs was nog beter dan van het landschapsbeheer. Het hout was bovendien al gedroogd en gekloofd en bezorgen was geen probleem. We bestelden en gingen opgetogen huiswaarts.

‘Ze zingen’
Een week later was het zover. Een aanhanger met daarop twee kuub hout werd vakkundig en met achteloze vanzelfsprekendheid in z’n achteruit tussen de hekdeuren door gemanoeuvreerd. We begonnen met

Na het lossen.

uitladen en de boer sloeg twee willekeurige houtjes tegen elkaar. Er klonk een lichte ‘tink’. “Ze zingen”, zei hij. “Ze zijn goed droog. Laat ze niet natregenen.” We bergen ze gelijk op, zei ik.

Houtlawine
Voordat hij vertrok, liet hij nog wat filmpjes en foto’s op z’n telefoon zien. Over hout natuurlijk. We zagen een lawine van boomstammen en iemand die voor z’n leven moest rennen; een cirkelzaag van een meter doorsnee, en last but not least bloederige foto’s van zijn enkel, nadat hij daar per abuis met een bijl tot op het bot op in had gehakt: “…dit is toen het net gebeurd was (swipe) dit na één week (swipe), dit na twee weken…”

Littekens
Er waren ook nog wat littekens van andere hak- en zaaggerelateerde ongemakken, waarvoor mouwen en broekspijpen werden opgestroopt. Ik bekeek alles uiteraard belangstellend en meelevend. Daarop vertrok ie naar een andere klant die ongetwijfeld de foto’s en lichaamsdelen al kent, of ze anders snel zal leren kennen. Onnodig te zeggen dat ik me al verheug op volgend jaar.

De houtjes zijn opgeborgen. Spikkel en Bintje poseren bereidwillig.

 

De kippen en het ei, de ekster en de eend – I have a dream

Tags

, , , ,


Ik heb een deemoedige ekster in m’n handen gehad: een klein pakketje veren met een lange staart, en onder m’n vingers een snel kloppend hartje. In het verlengde daarvan hebben de dames Kip mij ‘a weeee bit’ teleurgesteld, waarover hieronder meer.

Het draait om Wil, de wilde eend, waarover ik in het vorige stukje al schreef dat ze in het gras zat te broeden op wel tien eitjes. Ze had een nestplekje uitgekozen aan de voet van een boom waarin de Famiglia Corleone-Ekster resideert, hoog in een uitkijkpost. Alles overziend. We hielden ons hart al vast.

Duikvluchten
Een paar dagen erna zag ik een ekster opmerkelijk vaak duikvluchtjes maken boven het nest. Ik vermoedde dat Wil was gaan poedelen, en dat de ekster haar eitjes van bovenaf kon zien. Als een grimmige bewaker posteerde ik me op een strategische plek, handenklappend zodra het zwart-witte gevaar zich weer aan een verkenningsvlucht waagde. Wist ik veel dat het al te laat was.

Raadselachtig gaaf
Nadere inspectie wees uit dat nog maar vijf eitjes – zonder Wil in de buurt – in het nestje resteerden. Puntgaaf, en geen spoor van de andere vijf; geen stukjes eischaal of struif. Raadselachtig. Een ekster kan toch geen heel ei in z’n snavel meenemen, dacht ik, totdat dit filmpje me uit de droom hielp. Eksters gedijen als echte Corleones bij de ‘hit en run’. Hap en weg. En bij elke verdwijning natuurlijk alles ontkennen, want ja, ekster-omerta.

Een uurtje later zag ik hoe een ekster wéér een ei had geroofd en de inhoud soldaat maakte, zittend op de grond. Dat was een inschattingsfoutje. Hij had buiten de kippen gerekend – en ik ook. Want gaat het om grote levenskwesties als ‘smikkelen en smullen’, dan hebben de dames Kip een antenne met een unheimisch bereik. Zó waren ze nog zoet aan het scharrelen, en zo zetten ze met langgerekte nekjes een enorme

De kippen hebben het ei geconfisceerd. Bovenop het hek zit de ekster zijn knopen te tellen.

spurt in naar de ekster. Die zag de posse komen aandraven, en maakte zich wijselijk uit de voeten door op een hekwerkje te springen. De kippen lieten er geen gras over groeien. Terwijl de ekster z’n knopen telde, aten de kippen het ei gulzig leeg. Fijn, dames, dacht ik. Tot zover jullie solidariteit met jullie achternicht met zwemvliezen.

Uit met de pret
In het nestje lag nu nog maar één ei. Eén prachtig onaangetast ei waar de ekster z’n naam al op had geschreven. We namen het eitje – met de grootte van een kippenei – mee. Hier hield het bachanaal op. Uit met de pret. De ekster onderzocht het lege nestje nog een paar keer, met weliswaar steeds minder overtuiging: ligt er echt niks meer, nee. Ligt er echt niks meer, nee. Eendenmoeder Wil liet zich niet meer zien. Stomme eksters.

Een dag later liep ik de openstaande ren in – de kippen lopen overdag in en uit – en trof daar een nietsvermoedende ekster aan die zich te goed deed aan het voer van de kippen. Zucht. Deze slimmerds gaan steeds een stapje verder. Vorig jaar wisten ze na verloop van tijd ook de kippeneitjes in het nachthok te vinden. Hoogste tijd om de opmars te stoppen. De ekster, geschrokken, vloog intussen van gaaswand naar gaaswand in een poging te ontsnappen. Ik sloot het deurtje van de ren achter me en dacht strijdvaardig: ‘Nu gaat het tussen jou en mij.’

Uit het lood
Ik pakte het waterbakje van de kippen, en een flinke gulp water trof doel. Zo’n verenpak is een uitstekende regenponcho, dus niets aan de hand. Maar de ekster was zichtbaar uit het lood geslagen en daar ging het om: dat hij vanaf nu vooral minder fijne herinneringen heeft aan dit plekje. Even zat hij stil, uithijgend. Ik plukte ‘m van het gaas en voelde onder m’n vingers een snel kloppend hartje. Het was maar een klein lijfje eigenlijk. Met één hand gemakkelijk te omvatten. Het beestje begon hard en klaaglijk te kermen, bijna als een baby. Van ergens buiten de ren kwam een antwoord: ‘rekketekketek!’ De partner.

Voordat ik ‘m vrijliet, kwam de kleine arrestant eerst met mij mee naar binnen. Daar drukte ik ‘m op het hart nooit meer eendeneieren te roven, ook niet meer in de ren te komen en straks ook geen jonge vogeltjes te eten – ik nam maar vast een voorschotje. Grote glanzende ogen keken me in stilte aan.

Tweede huisvredebreukeling
De dag erna betrapte ik weer een ekster in de ren. Ook die kreeg van mij een douche en ook nu kon ik ‘m van het gaas plukken. Terwijl partner ‘m vasthield, maakte ik een foto, waarna ook deze huisvredebreukeling z’n vrijheid terugkreeg. Het was niet dezelfde ekster als een dag eerder, gokte ik. Deze gaf geen kik. Geen gekerm, niets. En de snavelbeet was harder, driester.

Betekent dit dat we nu met de beide gezinshoofden van de Corleones een – met recht – spetterend onderhoud hebben gehad? Fijn zo. Dan is vanaf nu alles gelukkig pais en vree in de tuin. En kan Wil of Pommetje of eender welk eendje voor de verandering eens veilig komen broeden en – omringd door de goede zorgen van al wie in de tuin nestelt en vliegt – pulletjes op de wereld zetten. – I have a dream.

 

Zachte kraamkamer klaar voor tien pulletjes

Tags

, ,


Kraamkamer met donsveertjes van de moedereend.

In de tuin broedt een wilde eend. Niet dat we dat meteen in de gaten hadden. Tijdens het tuinieren trapten we haar – bij wijze van spreken – bijna op de staart, zo goed was het nest verstopt. Van schrik lanceerde ze zichzelf als een klapwiekend raketje en verdween. Nu pas zagen we het nest, met daarin tien prachtige eieren. We hoopten maar dat moeders snel weer terug zou komen. Dat deed ze.

Eerder al verschafte Pommetje, de Pommerse eend, ons de eer om in de tuin te gaan broeden. Onder een ontroerend open dak van strootjes zat ze, vol in het zicht en in barre weersomstandigheden, een tijdlang twee eitjes warm te houden. Daarna hield ze ’t voor gezien. Wel dachten we haar nog regelmatig te spotten in het gezelschap van een woerd, en wie weet heeft dat elders nog tot een tweede nestje geleid.

Eksters
Deze tweede Pommetje is een ‘gewone’ wilde eend – laten we haar toepasselijk Wil noemen – maar het aantal wilde eenden slinkt, dus we kunnen haar ook heel best dopen tot bijzondere wilde eend. Bijzonder is in elk geval dat ze praktisch onderaan een boom met twee broedende eksters haar kamp heeft opgeslagen. Toch een beetje alsof je je tentje in het volste vertrouwen opzet in de tuin van de familie Corleone.

Buurtsuper
We zijn er dus niet helemaal gerust op. Eerst de eitjes, en straks de pulletjes zo vlak onder handbereik; het is alsof er voor de eksters een buurtsuper is geopend met in-die-en-die-week een heel speciale aanbieding. Maar wie weet, is dit wel onderdeel van de tactiek: ‘Keep your friends close, and your enemies closer’.

Van de kippen trekt Wil zich niets aan. Die scharrelen en wroeten om en langs haar nest. Ik sluit zelfs niet uit dat ze geen erg hebben in de nieuwe buurvrouw, want haar nest is prachtig gecamoufleerd: een hoopje van droge strootjes en grassen. Eigenlijk zoals er wel meer zijn, maar deze heeft een holte die toegang geeft tot een knusse kraamkamer van zacht dons, door het aanstaand moedertje uit haar eigen borst geplukt.

Omzichtig, stapje voor stapje
Soms moet er ook even gegeten worden en dat gebeurt allemaal heel omzichtig om geen aandacht te trekken. Ze vliegt niet van het nest, ze sluipt ervandoor. Dat gaat stapje voor stapje met veel stilstaan, waarbij alleen haar kop

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

boven het gras uitsteekt als een mini-periscoopje. Met een grote omweg maakt ze uitstapjes naar de kikkerpoel en sluipt dan weer terug. Onnodig te zeggen dat we hartstochtelijk voor haar en haar kroost duimen.

Links het nest. Zoek de moedereend op weg daarnaartoe.

 

 

Korte ontmoeting met molshoop met lange oren

Tags


Het was een mooie lentedag, een van de eerste van het jaar. Het suikerbietenstoppelveld van Boer Biet lag er strogeel en zelfs een beetje warmgestoofd bij en wenkte uitnodigend. Nergens verroerde zich iets. Behalve heel in de verte misschien, twee molshopen met lange oortjes. Hazen. Wat een eersteklas camouflageontwerp toch, die bruingrijze en witte tinten.

Tussen de stugge stengels van het knollenveldje speelden ze met elkaar. Ze doken weg, trokken een korte sprint – bewegende stengels verklapten het gekozen hazenpaadje – en doken elders weer op. Lijfje en oortjes alert rechtop, maar evengoed zonder erg te hebben in de indringer met de camera. Geholpen door de zoom kon ik ze vanaf een afstandje begluren, zonder ze te alarmeren. En gelukkig maar, want als molshopen met oren het op een rennen zetten, heb je ’t nakijken.

Een van de hazen sprong de akker uit en huppelde door het gras naar de plek waar ik stond. Ik liet de camera even zakken. Zag ik dit goed? Jazeker: de haas repte zich onverdroten mijn kant op. Ik hield m’n adem in en bleef, steeds verbaasder, foto’s maken. Hazen zijn groot en pezig: één brok spieren en lenigheid. Dat kon ik nou eens goed van dichtbij bekijken. Op een afstandje van vijf meter gekomen, ging de haas alsnog vol in de remmen. Hij bekeek me een paar seconden in opperste verbazing, alsof hij wilde zeggen: waar kom jij nou vandaan?, en sprong toen haaks en met langgerekt lijf het stoppelveld in. Daar bleef hij rennen en haken slaan, totdat hij was versmolten met het bruin en geel van de akker, en er zelfs geen zweem te zien was van een molshoop met oortjes. Pas toen haalde ik weer adem.

De dag dat de ringmusjes de nieuwe tipi gingen inrichten

Tags

, , ,


Ringmus: kenmerkende witte ring rond de nek, donkere wangvlek en roodbruin kapsel.

Dagenlang was het stil in de tuin. De kou had de vogeltjes verdreven, of misschien zaten ze wel knus te cocoonen in het beschutte binnenste van een struikje; veertjes opgezet, warm als een dekbedje van eigen makelij – wie doet ze wat? Maar met de eerste warme dag was er een grootse comeback. 

Ze vlogen af en aan. Pimpels en kooltjes natuurlijk. En staartmezen, vinkjes, een roodborstje, een boomkruiper en zelfs een goudhaantje dat tegen het raam vloog – maar om de een of andere reden stelen de ringmusjes mijn hart. Vorig jaar telden we lukraak zo’n zes nestjes; ze waren bij ons letterlijk onder de pannen, maar ook als vogelhuisjesmakelaar deden we goeie zaken. Dit jaar hebben we een nieuw model in de aanbieding: ‘tipi’. Het was een gok; zouden ze het wat vinden?

Om ze te lokken, hingen we er een pindarekje naast, zodat het geknabbel van de koolmezen en pimpelmezen – de echte pinda-acrobaten – zou zorgen voor een dis van gevallen pindarestjes op de grond. Want zoals wij allen weten, hangen mussen zélf niet aan rekjes. Toch? Mis! Binnen een uur bungelde er aan het pindarekje een mus die daarbij ook nog gezelschap kreeg van een maatje. Het ging niet meteen geheel vlekkeloos, maar ze deden het toch maar. Vast afgekeken van hun acrobatische achterneven en -nichten.

Ze hadden het zo naar hun zin dat ze de tipi daadwerkelijk betrokken. De inrichting verliep voorspoedig. Mosjes, kippenveertjes, blaadjes en plantentouwtjes – met vereende krachten werd er van alles uit de tuin naar binnen getakeld. We menen zelfs te weten wat ze daarbij met elkaar bespraken. Een kleine bloemlezing:

Ga jij maar kijken of het wat is, daarbinnen. Houd ik die koolmezen in de gaten. Dat zit maar aan zo’n pinda-rek te lurken, alsof er niet gewoon gewerkt moet worden. En, is er genoeg ruimte voor het staand horloge van je vader?

 

Ja hoor, zelfs voor jouw kippenverenverzameling. Hee, die pindabuurtsuper is anders best handig. Ik doe gewoon wat de koolmezen doen. Moet je mij zien. Yeeeha! Moet je ook es proberen!

Halloooo! Ik zei: moet je ook eens proberen. Hee waar ben je nou?

 

O, ben je  al binnen?

– Ja, je bent zó enthousiast. Ik dacht: ik ga maar gelijk wat meubeltjes naar binnen sjouwen. Waar moet dit schilderijtje van je moeder komen: ‘Wie is er bang voor hooi, gras en stro?’ Het kan links of rechts om de hoek. Ik kan het trouwens ook opeten.

Ik kijk wel even mee. Wel schuin die muren, hè? Wie dat nou weer bedenkt. Zeker design, ofzo.

Nee niet daar, nee niet daar, nee n… ja daar. Iets hoger, nee lager, hoger, lager…
(Druk gestommel binnen)
Heb je nog een touwtje nodig om ‘m op te hangen? Deze vond ik net. Ze laten hier echt van alles slingeren.

 

En kijk es wat ik hier heb, een lekker zacht vloerkleedje. Pak jij ‘m aan?

 

 

.

Wel opschieten, want ik hou ‘m niet langer. Schiet nou oh-hop! Moet je zien hoe ik erbij hang.

– Joe, ik vlieg al.

 Hebbie ‘m? Hè-hè. Ik zag ook nog een commode naast die boomstronk. Zo terug.

Moeten we nog even kennismaken met de buren?

– Nee, nu gezellig op ons nieuwe terrasje zitten. Ben bekaf.

– Deal.

The Bog Road en ‘de donkere band van Alexander’

Tags

, , , , ,


We reden op The Bog Road, dwars door een grijsgeel desolaat gebied van rotsige heuvels, bezaaid met immense keien. Alsof een norse reus ze lukraak had rondgeslingerd. Dan weer ging het langs stille meertjes en drassige vennen; een weg waar het volgens de overlevering spookt. We waren in Ierland, Connemara.

In Ierland regent het altijd, behalve als het niet regent. Maar we hadden het geluk aan onze zijde. Voor ons lag een zonovergoten Bog Road met daarboven een blauwe hemel en wat verwaaide wolken.

We deelden de weg alleen met een paar schapen uit de streek, de Blackface Mountain sheep, en vroegen ons af hoe stil het hier zou zijn. Oorverdovende stilte, bestond dat hier? Dus zetten we de auto langs de kant en gooiden de deuren open.

Dat moet voor de weergoden het teken zijn geweest. Er stak een wind op – we moesten de deurportieren vasthouden – en het begon te hozen. Gedaan was het met de stilte. In plaats daarvan luisterden we naar het stromen van de regen en zagen een tijdlang geen hand voor ogen.

Met moeite tuurden we na een tijdje door de pijpenstelen naar buiten en daar, op krap vijftig meter bij ons vandaan, ontstond voor onze ogen een majestueuze regenboog. Vanwege de korte afstand tot ons, was hij breder dan welke andere regenboog ooit eerder gezien. Diep van kleur en toch bijna lichtgevend stond hij daar op z’n geboortegrond: voetjes aan de vloer. Als we wilden, konden we zó naar de pot met goud lopen en met een beetje goede wil zagen we ‘m zelfs staan.

Het begon te druppelen en de regen hield op. Zomaar. Maar de regenboog had er zin in. Hij gloeide nog meer en we zagen dat merkwaardige fenomeen, waarbij het landschap onder de boog verdwijnt achter een wit waas. Ook had de boog zich verdubbeld. De hoofdregenboog was rood aan de buitenkant, zijn maatje kleurde juist rood vanbinnen. Tussen de beide bogen heerste een diepgrijs: de zogenoemde ‘donkere band van Alexander’, hier nog wat beter te zien.

Het is allemaal te verklaren door de hoek waarin de druppels vallen en de breking van het licht. Natuurlijk. Maar daar hadden we, kijkend naar dit wonderschone natuurverschijnsel zo pal naast ons, allemaal even geen boodschap aan.

Het woeste en desolate van wegen als The Bog Road; zelf houd ik daar erg van. De weg ligt vlakbij de westkust van Ierland, in Connemara. Vanaf Roundstone 4 km naar het noorden op de R341 en dan linksaf naar Clifden, of andersom.

 

De reïncarnatie van Lassie waarschuwt

Tags

, , ,


De – al wat vermolmde – nestkast van de ringmussen werd vorig jaar gekraakt door hommels. Eerst zagen we een verkenner-hommel. Daarna een spion. Vervolgens marcheerde het hele stratego-regiment naar binnen. Na de zomer hieven ze zelf de staat van beleg weer op. De mussen, intussen uitgeweken naar de dakpannen, konden dit jaar dus wel een nieuw onderkomen gebruiken.

Een snor van nestmateriaal. 

We installeerden een stevig huis voor ze, met alle ruimte voor een kinderrijk mussengezin. Is het kastje niet te groot, dachten we nog. Krijgen ze ‘m wel gevuld? Dat viel alleszins mee. De nestkast werd bekeken en gekeurd, waarna de mussen af en aan vlogen met meubilair: mos, grasstrootjes en gevonden donsveertjes van de kippen. In twee dagen was de inrichting gepiept.

Een week later hingen allerhande strootjes en mosjes naar buiten en zag ik hoe zich nu het omgekeerde proces voltrok; één voor één werden de meubeltjes weer opgehaald. Ging het stelletje verhuizen, of was er een brutale inbraak gaande? Ik kwam er niet achter, en lette – een beetje ontmoedigd – wat minder goed op.

Wat is hier gaande? Verhuizing of inbraak?

En zo duurde het even voordat ik zag hoe een mus het nestkastje verliet met een volle luier in z’n snavel en weer naar binnen vloog met insectenhapjes. Kijk kijk, toch nog pril geluk, wie had dat gedacht.

Eksters op bezoek

Hoog in diezelfde boom bracht ook een eksterpaar z’n jongen groot. Regelmatig kwamen de ouders beneden kijken of er nog iets te verschalken viel. Omdat eksters er niet voor terugschrikken jonge mussen en koolmezen uit hun nestkastjes te peuteren, begeleidde ik hun bezoekjes met luid handengeklap. Na een tijdje was alleen al mijn verschijning voldoende voor ze om scheldend en al op te krassen. Een onvermoed talent waar ik misschien meer mee zou moeten doen. Intussen liet het uitvliegen van de

Snaveltjes te voeden.

musjes niet lang meer op zich wachten. Dat verried het toenemend gepiep uit de nestkast en ik zag het aan de nieuwsgierige mussenkopjes die steeds vaker voor het vlieggat verschenen.

Lassie waarschuwt voor eksters
Op een warme ochtend hoorde ik buiten een aanhoudend mussengekwetter dat ik had leren herkennen als alarmroep. Ik keek door het keukenraam naar de nestkast. Daar, pal voor het raam op een tak, zat een van de ringmusouders die – tegen mijn verwachting in – niet wegvloog toen hij me zag. Integendeel. Hij keek me nadrukkelijk aan, keek dan in de verte, weer naar mij en weer in de verte.

Hoe heb ik het nu, dacht ik. Daar hebben we Lassie, maar dan gereïncarneerd als mus. “Wat is er, Lassie?”, zei ik tegen het raam. “Is Timmie wéér in de waterput gevallen?!” Ik liep nu toch maar naar buiten en zag nog net hoe – inderdaad – een ekster, door mij opgeschrikt, wegstoof. Het mussengetjilp hield onmiddellijk op en de rust keerde weer. Die ochtend vlogen de jonge mussen uit, veilig en wel.

De ijsvogel: een sight for sore eyes

Tags

, , , ,


bruggetje

Bruggetje van boer Biet.

Er bestaan ‘vogeldagen’ en ‘toedeledokiedagen’, ik weet het zeker. Dagen waarop er buiten van alles rondbuitelt en kwettert. En dagen dat er bij elk nestje een bordje ‘gone fishing’ hangt. Vraag me niet waarom. Het is niet koud, het waait en regent niet. Maar evengoed diepe rust alom.

Gelukkig hadden de vogels laatst grootmoedig besloten dat ze thuis waren. In uitbundige aantallen ook nog. De hoge meidoornhaag wolkte bovenin van de pimpels, de kooltjes, putters en vinken, terwijl onderaan een spiedend roodborstje de stammetjes onveilig maakte: now you see me, now you don’t. Het had gezelschap van een klein rap diertje dat ontmoedigend goed verstoppertje speelde. Een muis? Een winterkoninkje? Het kon allemaal. Tot het even later in een wilg neerdwarrelde. Schrap de muis.

vuurhaantjeKleinste vogel in Europa
Het beestje racete als een opwindspeeltje door de takken en stond ten slotte één seconde stil. ‘Klik’ zei de camera. Inzoomend op het schermpje zag ik Europa’s kleinste vogeltje naar me gluren. Een goudhaantje. M’n eerste. Daar had ik al zolang op gehoopt. 

Langs het bruggetje van boer Biet liep ik verder. Aan de overkant van de sloot lag een stille ronde vorm in het water, die ik niet kon thuisbrengen. Ik kloste het bruggetje over en na een korte wandeling door een besneeuwd weiland stond ik te kijken naar het opbollend buikje van een ree; pootjes en hals onder water. Het was niet moeilijk voor te stellen hoe het beestje was begonnen aan de oversteek van de bevroren sloot, terwijl de dooi al heimelijk beurse plekken in het ijs had geslagen.

Beduusd
In de wijde reeomgeving was het gepast stil, afgezien van nu en dan een zacht klotsgeluidje tegen de oever. Nog steeds een beetje beduusd keek ik om me heen en als een zonnestraaltje uit het niets, scheerde er – in de lengte van de sloot, laag over het water – een metalig blauwe schicht mijn kant op. Een ijsvogeltje.

Vliegende edelsteen
Hooguit drie keer eerder had ik de vliegende edelsteen gezien, maar alleen in een flits. Ditmaal schoot hij me voorbij en streek neer in een struik om daarvandaan het water af te speuren naar visjes. En zo zag ik ‘m dan eindelijk eens rustig op een tak zitten. Lang genoeg om er met licht trillende hand een foto van te maken.

Het beestje heeft, ondanks de naam, een broertje dood aan de kou. Een bevroren sloot betekent dat z’n zo begeerde vismaaltje in een ondoordringbare ijskluis zit opgeborgen. De naam zou dan ook eerder komen van het Germaanse ‘Eisenvogel’ – ijzeren vogel – wat slaat op de staalblauwe kleur van z’n verenpak. In elk geval heeft deze ijsvogel de vorst het nakijken gegeven. Goed gedaan, beestje. En wat een sight for sore eyes.
ijsvogel3

Het noorderlicht: een tranentrekker

Tags

, , ,


noorderlicht-wit

Van vijftien afzonderlijke foto’s deze (versnelde) animatie gemaakt: bij voorbaat een mislukte poging iets vast te leggen van dit natuurfenomeen.

Dit keer een berichtje dat niet van Kleinborkel-bodem is, maar van een uitstapje naar het besneeuwde Finse Lapland. De Kerstman komt er vandaan, tenslotte. Als het nu niet kan, wanneer dan wel? En de Kerstman gaf me een groot cadeau: het noorderlicht. 

Hij verwende me op een bespottelijke manier, want het noorderlicht liet zich uitbundig zien. Met groene, en af en toe zelfs rode en violet vlammende kleuren. Alles in een grote, indrukwekkende stilte.

Ik had het noorderlicht er een paar jaar eerder al eens in volle glorie mogen ondergaan; groene vitrage die vanuit een kraakheldere hemel omlaag hangt in plooien die maar blijven golven en bewegen. Zó doorschijnend dat de sterren gewoon zichtbaar zijn.

Het begint meestal onnadrukkelijk met een schijnsel dat niet eens een kleur heeft. Het zou een streepje van een lichte wolk kunnen zijn. Maar blijf vooral kijken. En als dat schijnsel groen kleurt, spurt dan als de wiedeweerga naar buiten.
.
Dit keer verdeelde het licht zich al snel in meerdere banen; dook omlaag, vloeide omhoog, en kwam op een gegeven moment pal boven onze hoofden – het zenit – uit één punt naar beneden, als een grote, allesbeschermende paraplu: de corona. En zo sta parapluje op een winterse avond met betraande ogen – en niet van de kou – omhoog te kijken naar een natuurverschijnsel dat z’n weerga niet kent.

Als dit eens ons vuurwerk kon zijn, tijdens en oud en nieuw…

Kleumen en ruzie om een visje

Tags

,


reiger

’s Ochtends in alle vroegte zagen we ‘m kleumen naast een bevroren sloot, deze blauwe reiger. Ineengedoken, ijskristallen op snavel en rug. Hij bivakkeerde er vast al een tijdje. Voorlopig kreeg ie een lange neus van de vissen. Maar een vastberaden reiger heeft geduld. Veel geduld. 

Eigenlijk had ik een beetje met ‘m te doen. Daar stond ie dan tussen het berijpte gras te wachten tot het ijs op de sloot gesmolten was, terwijl het ook overdag zou blijven vriezen. Aan z’n grijze kruin te zien was het een jong exemplaar – nog geen zwarte wenkbrauwstrepen. En dus bedachten we dat hij ’t allemaal nog een beetje moest leren.

Ruzie
Een uurtje later kwam er een waterig zonnetje door en lo and behold, we zagen hoe het dunne laagje ijs rond zijn visstekkie warempel begon te verdwijnen. Dat had ie toch goed gezien, de slimmerd. Het volgende moment hoorden we een hoop gespetter en geplons; ruzie-om-een-visjeonze puber had ongewenst gezelschap gekregen. Een volwassen reiger maakte ‘m z’n zojuist gevangen visje afhandig en gaf ‘m een koud dompelbad.

Bezorgd
O jee, hoe komt ie nou weer op de oever, dachten we enigszins bezorgd – je gaat je toch een beetje hechten aan zo’n kind. Nou – alsof ie elke dag een dompelbadje kreeg, zo gezwind hees ie zich weer op de kant. De volwassen vogel was intussen weggewiekt en ‘onze’ reiger kon zich ongestoord opwarmen in de zon.

meer-visWe hadden geen medelijden met hem hoeven te hebben. Hij maakte korte metten met alle visjes die zich ’s ochtends vanachter een laagje ijs nog veilig waanden – ‘nánananána’, middelvin omhoog – en plonsde daarvoor geregeld zelf het water in. Een amfibie-reiger.

Tegen de middag was de gedaanteverwisseling compleet: de koukleum van die ochtend had plaatsgemaakt voor een statig flanerende reiger, niet te beroerd om even te poseren. Je ziet ze zo vaak in weilanden staan dat je bijna zou vergeten hoe mooi ze eigenlijk zijn. Alleen al die stropdas…

stropdas

 

Gandalf de Kleine: you shall not pass!

Tags

, , , , ,


kreeft-fiets

De deurbel ging. Ons buurmeisje. Of we iets leuks wilden zien, vroeg ze. Altijd, zeiden wij. Krap enkele minuten eerder had ik haar voorbij zien fietsen en nu was ze weer terug, rode konen en al. Wat kon er zo prangend zijn?   

De dag ervoor was de aanpalende sloot uitgebaggerd. Ik zie dat altijd met lede ogen aan, want dit verandert het plantenrijke, heldere water in een doodse troebele bedoening. ’t Hoort erbij natuurlijk, zo’n jaarlijkse Mien Kraak schoonmaak door het waterschap. En als de dijken doorbreken, scheelt het zeker een nano-millimeter aan natte voeten, maar toch.

zwanenmosselSnel gaat het wel. Een rupsvoertuig kruipt als een krab zijwaarts langs de oever, waarbij de kleibodem indrukwekkend trilt. Dan gooit het een grote grijper uit die alle plantenresten op de kant deponeert.

Langs de hele sloot liggen vervolgens – ik pruttel nog even verder in mineur, hou vol – talloze zwanenmosselen op het droge te zieltogen. Ik gooi er altijd zoveel mogelijk terug in het water. Ploemp. Als dat mij geen mooi plaatsje in de hemel oplevert, weet ik het ook niet meer.

Terug naar ons buurmeisje. Want de grote volksverhuizing trof niet alleen zwanenmosselen. Middenop het paadje langs de sloot had ze een kreeft zien lopen, vertelde ze. Bijna was ze er overheen gepedaleerd. Ze fietste voor ons uit om bij het dier te gaan posten; het was nou ook weer niet de bedoeling dat de volgende fietser er wél overheen reed en al helemaal niet voordat wij ‘m hadden gezien.

kreeft2kreeft1

Het kreeftje, een kleine 20 centimeter lang, zat nog steeds middenop het fietspad uitgebreid het noodlot te tarten. Hij heeft geen staart meer, zei ik verwonderd, en m’n maag kromp een beetje samen. Jawel, zei het buurmeisje, hij zit erbovenop. Verrek, het was waar. Het dier draaide zich om en om naar wie zich het dichtst naar hem toeboog en hief z’n scharen op, alsof te zeggen: YOU SHALL NOT PASS! Gandalf de Kleine.

kreeft-in-het-grasGeen van drieeën voelden we ons geroepen om ‘m met de blote hand terug te zetten op de kant. Het is vast een peulenschil, maar misschien moet je daarvoor eerst de Freek Vonk in jezelf ontdekken.

Ons buurmeisje bracht uitkomst. Ze had een papiertje bij zich, waarmee we ‘m veilig konden vastpakken. En zo kregen we Gandalf dan toch van de wal in de sloot. Een uitdrukking die meestal niet veel goeds betekent. Maar er zijn altijd uitzonderingen op de regel.

De inheemse kreeft is grotendeels verdrongen door zogenoemde exoten als de rode Amerikaanse kreeft. Gandalf bleek een gevlekte Amerikaanse kreeft te zijn. Naturalis heeft een mooie zoekkaart, waarop je kunt uitpluizen met wat voor soort je van doen hebt.

Drie egeltjes en een plaatsje in de herberg

Tags


egeltje

‘Moet je kijken’, zei partner. We stonden bij een rommelig stukje tuin. Ik volgde zijn blik. Aan onze voeten scharrelde zomaar een jong egeltje rond. Ietwat gedesoriënteerd en hardnekkig gevolgd door een schare groene vliegen.

groene vliegenWe wapperden de vliegen weg, maar als magneetjes schoten ze weer naar de egel terug. Het beestje dan maar eens wat beter bekijken. We zagen overal vliegeneitjes, vooral in z’n oor.

Ah zo. De vliegen hadden ‘m uitverkoren tot kraamkamer. En als de larven uitkwamen, diende het egeltje meteen als ontbijt, lunch en diner.

Wat te doen? Heeft een beestje eenmaal zoveel parasieten, dan is er vaak meer aan de hand. We belden dus naar…

  • …de dierenambulance. Daar konden we rekenen op een meelevende reactie. Maar: ‘In deze regio is geen egelopvang meer. En een dier uit het wild mogen we niet zelf verzorgen.’ En of het een idee was dat wij er zelf mee naar een dierenarts van hun keuze gingen? De kosten waren dan voor hún rekening. Alleen: ‘De dierenarts mag ‘m maar 12 uur verzorgen, daarna moet ie evengoed naar een opvang.’ O, wat we óók nog konden doen: eerst een voormalige egelopvanger uit de regio bellen en nader advies vragen.
    .
  • De voormalige egelopvanger: ‘Rolt ie zich nog op, of is het een damschijf?’ Uhm, een damschijf? We doorliepen alle wederwaardigheden en damschijftroebelen. Uiteindelijk advies: ‘Niet naar de dierenarts. Meteen naar de egelopvang. De dierenambulance moet ‘m bij u komen ophalen en daarnaartoe brengen. Dat hoort echt bij hun taak, hoor.’
    .
  • Terug naar de dierenambulance: ‘Oeh, eh ja. We hebben wel genoeg auto’s, maar niet genoeg vrijwillige chauffeurs. Dusss…’

De dichtstbijzijnde egelopvang ‘buiten de regio’ bleek een stief uurke rijden. Oeff. Nou ja. Als we ‘m dan zelf eens gaan brengen? Eerst maar even informeren daar.

  • De egelopvang: ‘U bent van buiten onze regio. U moet binnen uw eigen regio op zoek naar opvang.’ (…) O, dat hebt u al gedaan. Nou, u kunt ‘m sowieso niet zelf komen brengen. Dat moet via de dierenambulance. (…) O, die hebt u al gebeld. Nou, zíj moeten ‘m bij u ophalen. (…) O, ze hebben geen vervoer. Tja, eh… wij zitten evengoed al vol.’
    .
  • Wéér terug naar de dierenambulance: ‘Heel lastig allemaal, maar wij kunnen nu verder ook niets doen. Er is nog een vogelopvang bij u in de buurt die ook egels opvangt. Misschien is dat nog iets? Ja, écht, die vangen ook egels op.’
    .
  • De vogelopvang: ‘Wij zouden egels opvangen? Hahaha, nee hoor. Alleen vogels.’

Ik slaakte een doodskop, een donderwolkje met bliksemschichten, een aantal uitroeptekens en speurde verder naar een egelopvang. Er was er nóg een, maar ook weer Van-Buiten-De-Regio. Op hoop van zegen een belletje.

  • De tweede egelopvang: ‘Ja hoor, komt u maar, dan spijkeren we ‘m bij en zetten we ‘m op een mooi plekje weer uit.’

Nee maar zeg, een enthousiaste reactie. Van opluchting gaf ik een korte weerslag van de eerdere pogingen. Aan de andere kant van de lijn heerlijke verontwaardiging.

Nóg twee
Op dat moment kwam partner binnen met in z’n hand twee beweeglijke donkere bolletjes: ‘Nóg twee egels. Ook met vliegen. En geen moeder te zien.’ Ik onderbrak de nog immer verbolgen doorpruttelende egelopvanger: of er wellicht plek was voor nóg twee egeltjes. ‘Túúrlijk, breng maar mee.’

egeltjesOnderweg, in een kartonnen doos, wilde elk egeltje onder een ander egeltje kruipen. We zagen almaar nieuwe – en omvallende – torentjes ontstaan.

De egelopvang bevond zich in een mooie groene oase. We liepen achter de egelopvanger aan, gevolgd door een stoicijns meesjokkend gevlekt varken.

Terwijl de egeltjes een geheel eigen ‘compoundje’ in de buitenlucht kregen, voelde ik een varkenssnuit tegen mijn hielen. Het dier had zich achter mij geposteerd als een klant in een supermarkt die ongegeneerd een winkelwagentje in je kuiten drukt. “Ze is bronstig”, gaf de egelopvanger als vanzelfsprekende verklaring. Ik knikte begripvol terug – je moet ook weer niet teveel willen weten.

Gemummificeerde kat
De egelopvanger vroeg niet of we een rondleiding wilden, hij gaf er gewoon een. Langs kippen, konijnen en vogels. En omdat hij ook over een rariteitenkabinetje beschikte, stonden we even later tegenover een hele reeks glazen potjes met beestjes op sterk water; een gemummificeerde kat; het bekken van een olifant en een wat naargeestig opgezette bunzing: “Met een riek gespietst door een boer die het zat was elke ochtend dooie kippen te vinden. Ik zei: geef mij ‘m maar.”

Dat was ook zo’n beetje de rode draad in alle verhalen die we hoorden: geef ‘m mij maar. Bij sommige mensen is altijd nog wel een plaatsje in de herberg.

Hij hield iets heel delicaats vast, dat zag ik meteen

Tags


Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

In de zomer staat de schuurdeur veel open. We pakken er de hark, de snoeischaar, kippenvoer en wat dies meer zij. Niet alleen wij dwarrelen erin en eruit, ook vlinders en vogeltjes doen dat. Een enkele keer hebben ze wat hulp nodig met dat ‘eruit’. Zoals dit winterkoninkje. 

Partner kwam voetje voor voetje aanlopen, de handen losjes als twee kommetjes op elkaar. Hij hield iets heel delicaats vast, dat zag ik meteen. Het kon een vlinder zijn, een kikkertje, of een salamander misschien.

Het was een winterkoninkje. Het had verlangend door het schuurraam naar buiten zitten kijken, moe van alle pogingen de glazen barrière te slechten. Zo moe, dat ie zich gemakkelijk liet oppakken. Her en der hingen spinragjes aan snavel en vleugels. Als een levend zwabbertje had ie al vliegend de hoeken van het raam een poetsbeurt gegeven.

Nu rustte ie uit in de kom van twee handen en keek daarbij van de een naar de ander. Dat zo’n klein beestje pogingen doet je blik te vangen… We keken terug – hopelijk geruststellend – en wachtten af. Na een tijdje vloog ie omhoog, opnieuw naar een raamkozijn, maar dit keer de buitenkant ervan. Het was z’n springplank naar een paar bosjes waarin ie ‘floep’ verdween.

Sinds die tijd scheert er op topsnelheid een winterkoninkje door de tuin, vaak laag over de grond tussen allerlei struikjes door met een behendigheid alsof het heeft gekeken naar een achtervolgingsscene uit Star Wars. Als het ’t zelfde beestje is, vermoed ik dat ie intussen uitstekend op eigen akkertje de uitgang van een schuur weet te vinden.

Tweemaal het nakijken, maar toen…

Tags

, ,


bruggetje boer biet

Het bruggetje van boer Biet in de vroege ochtend.


Dit weekend slaagde ik erin twee redelijk bijzondere vogels te verjagen, nog voordat ik ze überhaupt had gezien. ’t Is een gave. Maar gisteren kreeg ik een ‘waarneming’ in de schoot geworpen die de eerdere zeperds ruimschoots deed vergeten.

Het begon ermee dat het zonnetje me net iets te vrolijk en onstuimig maakte – het lag allemaal aan de zon moet u weten, niet aan mij. Wég was de gebruikelijke omzichtigheid. Niet in alle stilte aan komen lopen, niet alvast in de verte turen naar wat zich daar wellicht aan beestjes ophield. Ben je gek. Ik liep met verende tred – althans zo ervoer ik het – op het bruggetje van boer Biet af en floot een deuntje.

Aangekomen bij de oversteek, kloste ik de planken op en zong intussen met schrille stem Let the sun shine in. Het zat in m’n hoofd. Het moest eruit. En er was in de wijde omtrek geen mens te bespeuren; minstens zo belangrijk.

IJdele hoop
Dat was het moment dat het grote gefladder begon en mijn mond terstond dichtklapte. Uit het nabije gras verhief zich een purperreiger – een púrperreiger – die elegant, maar zeer verstoord wegwiekte. Nooit eerder in het echt gezien, maar o boy, ik herkende ‘m evengoed. Donkerder dan de ‘gewone’ blauwe reiger en met een oranje hals in plaats van wit. Een rode-lijstvogel ook nog: bedreigd. Lukraak drukte ik een paar keer af: paniekfoto’s. Het dier bleef doorvliegen tot het aan de einder oploste in het niets. Ik had het nakijken.

– De purperreiger: vage paniekfoto’s.

Groene schicht
Een dag later liep ik langs de schuur naar de kippen. ‘Héé kippen’, riep ik alvast. De begroeting zet altijd een gezellig en verwachtingsvol gepruttel in gang. Maar dit keer ook het gefladder van een groene specht die pal achter me op het schuurdak mosjes had zitten omdraaien op zoek naar insekten. Als een groene schicht vloog ie weg om in een boom verderop te gaan zitten mopperen over de overlast.

Bijna als een roofvogel
De vogel die ik gisteren zag, maakte alles goed. Ik was al op weg naar huis, met op de balans een blauwe reiger, een rietgorsje, een fitis en een paar kraaien. Leuk, maar niets nieuws onder de zon. Bijna thuis, stond in de verte een vogel op het paadje met het voorkomen van een duif. Voor de zekerheid maakte ik een foto, bekeek die op het schermpje en zoomde daar verder op in. Ik zag de kenmerkende horizontale streepjes op de borst, bijna als een roofvogel, en m’n adem stokte. Een koekoek. Al zo vaak gehoord en nog nooit gezien. Eveneens present op de rode lijst en doorgaans de schuwheid zelve.

koekoek5 koekoek2

Bosgalm
Denk ik aan de koekoek, dan denk ik aan zomerse vakantiewandelingen langs de Dommel, toen ik als kind voor het eerst een vogel hoorde die zijn eigen naam kon roepen. Ik vond het maar knap.

De bosgalm maakte dat de roep overal vandaan leek te komen en dus wist ik zeker dat ik dit dier nooit, maar dan ook nooit te zien zou krijgen.

“Zo, ben je daar dan toch nog”, zei ik – fluisterend – want ik had m’n lesje geleerd. De koekoek keek me aan, draaide zich uitgebreid naar links en dan weer naar rechts: strike a pose.

Ik maakte zoveel foto’s als ik kon. Helaas allemaal van veraf. Maar mij hoor je niet klagen.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
schaap2Mijn vorige bericht nog niet gelezen? Mocht je nu een momentje hebben – het kan een schapenleven redden: verwenteld schaap.