Van babylangoortjes naar pubers

Tags

,


Het was op een koude bewolkte dag, eind maart, dat we in de tuin op een jong haasje stuitten. Een baby nog, verstopt onder braamtwijgen en brosse rietstengels van vorig jaar. Z’n moeder had ‘m op het hart gedrukt: ‘Stilzitten onder alle omstandigheden. Vanavond kom ik terug met warme melk.’ Zoiets. Helemaal zeker weet je ’t natuurlijk nooit. 

De dagen erna was het plekje leeg. We zagen ‘m nergens meer. Wel stuitten we op wat uitwerpselen in het gras die net niet leken op die van een hond of kat. Een vos wellicht? We kruisten de vingers en duimden voor geluk.

Fast forward naar begin mei. Partner maaide het gras, of eigenlijk waren het vooral brandnetels en ander ongerief, we moeten het ook weer niet mooier maken dan het is. En daar rende een klein haasje voorbij – hallo, en dág – húp de struikjes in. We waren opgelucht. Hij of zij is er nog en ‘woont’ kennelijk in de tuin.

Hij zal niet al te erg zijn geschrokken, want na een tijdje zagen we ‘m opnieuw: pal naast het huis en bovendien met een broertje of zusje. Ze deden tikkertje en renden rondjes. ‘Ze zijn met z’n tweeën’, zeiden we ongelovig tegen elkaar. Twéé van die spelende langoren. En dan die ontroerende onbevangenheid.

Dit weekend besloten ze er nog een schepje bovenop te doen. Wel ja, puber nummer drie kwam zich melden. Sindsdien zien we ze bijna elke dag en dat is erg goed voor het humeur. Helemaal omdat ze vooral zevenblad eten. En de kippen? Die verblikken of verblozen niet. Tuurlijk niet. Ze hadden hun nieuwe buren al veel eerder gesignaleerd dan wij.

(hieronder nog twee foto’s: van twee naar drie haasjes)

De ernstige blik van een babyhaasje

Tags

, , , , ,


De ernstige blik van een babyhaasje De kippen zijn ware magneetjes voor andere dieren. Hun uitbundig gescharrel in de tuin is kennelijk een aanbeveling: ‘hier goed toeven’. Een postduif komt een paar daagjes bijtanken, een fazant wordt vaste gast, een eendje bouwt haar zachte nest. Maar de laatste ontdekking spant de kroon: de tuin blijkt een hazencouveuse. 

Zelf zijn we altijd de laatsten die ontdekken wie er nu weer in het kielzog van het kippenpelotonnetje meefietsen. Als we ze in alle harmonie met een vreemdeling zien rondbanjeren, weten we dat de nieuwkomer voor hen al volslagen oude koek is.

De kippen: eensgezind scharrelen met de langoor.

Natuurlijk wisten we wel dat er hazen in de tuin rondhupsten. Volwassen hazen, maar ook een keer een jonge haas – wellicht een puber – die heel vertrouwelijk ons raam voorbij kwam wandelen en rondjes rende om een perkje. En dat de kippen en de hazen vriendjes waren, wisten we ook. Dus keken we er niet van op toen we de kippen onlangs zagen optrekken met een uit de kluiten gewassen langoor. Was het de puber, opgegroeid tot stevige knaap of dame?

Levend boomstammetje
Hoe dan ook: gisteren trok partner er welgemoed met de grasmaaier op uit om in een uithoek van de tuin wat ongerief te lijf te gaan. Om zich heen kijkend zag hij verderop iets héél langzaam bewegen. “Ik dacht eerst nog dat het een mol was”, kwam hij zeggen, “maar ik denk dat ik een heel klein haasje heb gezien.” Het pasgeboren beestje zat tegen de grond gedrukt, prachtig gecamoufleerd als een boomstammetje en bekeek de wereld met ernstige blik. De grasmaaier ging de schuur weer in. Maaien kan altijd nog.

Warme hap
Een babyhaasje in z’n eentje is niet zielig; het verzamelt krachten voor later. Rustig en stil ligt het te wachten net als z’n broertjes en zusjes, elk op hun eigen verstopplekje. Want ’s avonds komt moeders met de warme hap. Lekker met rust laten dus. Nu duimen dat er straks meerdere argeloze puberhazen komen langshupsen.

Plat tegen de grond, oortjes naar beneden: ik ben er niet.

Tumult in alle toonaarden en iets met Pasen

Tags

, , ,


Ik stond in de tuin tussen een paar kippen die zo’n tumult maakten dat ik ze binnen helemaal had gehoord. Ik was naar buiten gestormd – je weet maar nooit, tenslotte. Het gevaar loert van alle kanten: katten, wezels, buizerds, en laatst nog een hond die een fazant achterna was gestierd, zó onze tuin in.

Z’n baas was erachteraan gebanjerd. Ook ‘hup’ de tuin in. We zagen ‘m lopen, het hondenfluitje werkeloos in z’n hand. Want Donar – die intussen als een dolleman de tuin doorkruiste – had oog noch oor voor wat z’n baas allemaal van ‘m wilde. Nadat ze weg waren, zonder fazant, zagen we het fluitje liggen in het gras. De eigenaar zal het niet al te erg missen, vermoeden we.

Terug naar de kippen. Ze kakelden er samen op los in alle toonaarden, en dat zijn er nogal wat. De haan spant daarbij de kroon met z’n paniekerige overslaande sopraantje. ‘Nou jongens’, zei ik. ‘Hoe kan ik u van dienst zijn?’ En ik telde even of alle gevleugelde vrienden er waren. Ruudje ontbrak. Ze was niet op de gebruikelijke plekjes en ook niet in het nachthok om een eitje te leggen.

Ter hoogte van het houthok hoorde ik ineens ritselende geluidjes achter me. Ik vermoedde een muis en draaide me om. Daar stak het kopje van Rudie net boven de rand van een tuinafvalzak uit.

Ah, we gaan wildleggen, begreep ik. ‘Vast oefenen voor Pasen, zeker?’, zei ik tegen Rudie, ‘en ons naar de eitjes laten zoeken?’ De andere kippen vonden haar gedrag hoogst merkwaardig. Ik kon me voorstellen dat haar gefladder naar hogere regionen bij de andere kippen tot consternatie had geleid.

Niet veel later verliet Rudie mopperend haar verworven plekje. Na de ontdekking was de lol eraf. Ze ging naar het nachthok en legde alsnog daar haar ei.

Coulisselandschap als Japanse knipkunst

Tags

, , , , , , , , ,


Een wonderschoon coulisselandschap in de vroege ochtendnevel, zo delicaat als Japanse knipkunst. Weliswaar zonder kraanvogel, maar wel met een grote zilverreiger die zich breed uitrekt. Het was op die septemberdag, weifelend tussen zomer en herfst, dat een dikke mist tot ver in de ochtend z’n billen parkeerde op de natte aarde. Ik liep er dwars doorheen en wachtte op de uitgestelde zonsopkomst.  ↓  

Deze diashow vereist JavaScript.

De zon brak pas laat door en gaf alle ruimte aan de witte wieven die boven de weilanden hingen en in slierten rond de bomen dansten. Ze zweefden op de bosrand af en verdeelden de taken: jij bedekt de knoestige boomwortels, ik maak de kruin onzichtbaar, of misschien spreid ik halverwege de stammen mijn armen uit – laten we het ervan nemen, nu het nog kan. Bomenflard na bomenflard doemde op om daarna ook weer in het niets te verdwijnen. Magie. ↓

In de oranje gloed van grondmist, aangelicht door de nog onzichtbare zon, speurden grote zilverreigers en ooievaars naar muizen en kikkers. Ze waren er vroeg bij en strekkebeenden kalm, maar trefzeker door het weiland. Van mij mocht de zon nog even uitslapen. Ik had geen haast. ↓

 

Er moest hier een bos zijn, ik wist het zeker. Maar ik liep door een kleine stille wereld die weinig prijsgaf. Ik had op een bergtop kunnen staan met vergezichten en diepe kloven rondom en ik had het niet geweten.

Geleidelijk aan kreeg de lucht meer kleur en ineens brandde de zon door de mist heen. En daar, uitsluitend in het felle licht van die gloeiende bol waren enkele contouren te zien: slechts een paar takken onthulden dat daar inderdaad bomen stonden. ↓

Het duurde niet lang of de zon eiste haar rechtmatige plaats op. Weg met die nevel en die witte wieven. Er verschenen lange schaduwen en de grondmist dunde zienderogen uit om ten slotte op te lossen. De laatste zomerdag brak aan.

 

De dag dat je zomaar een groene specht in je handen houdt

Tags


De groene specht leeft vooral van mieren. Zonder mieren geen groene specht.

Nadat Bep, ons stoïcijnse broedse mopperkippetje, ooit pal voor de kippenren door een buizerd was aangevallen, spanden we daar een fruitnet. Onder hun eigen ‘veranda’ moesten de kippen veilig kunnen zijn. De afgelopen acht jaar is er geen buizerd meer aan te pas gekomen, dus missie geslaagd. Gisteren ‘ving’ dit net zélf een vogel; een groene specht. 

Tot mijn grote plezier had ik dit jaar al meerdere keren een groene specht in de tuin gezien – en vooral ook gehoord. Je kunt bijna niet om het geluid heen: een overslaand jak-jak-jak-jak dat klinkt als maniakaal lachen of zelfs uitlachen. Het is maar in welke stemming je verkeert.

Eenzijdige liefde
De allereerste keer dat ik een groene specht zag, in augustus 2016, was ik daar behoorlijk van ondersteboven. De specht zelf ook. Na één blik op mij, was ie weg. Nou moe, dacht ik nog. De liefde kwam duidelijk niet van twee kanten.

Gisteren had een groene specht wat minder geluk – en ik daardoor wat meer. Vlakbij de ren hoorde ik ineens een paniekerig jak-jak-jak-jak. Ik keek en werd aangestaard door een groene specht die zich vakkundig had vastgedraaid in het net. Het was een jong mannetje – rode ‘snorstreep’, maar nog geen zwart masker.

Snavel
Het beestje vond mijn belangstelling maar verontrustend. Hij begon druk te wriemelen en lachte er voor de zekerheid nog maar eens extra maniakaal bij. Ik op mijn beurt was wat beducht voor die snavel – een specht tenslotte – en pakte maar vast een paar werkhandschoenen. Die bleken geheel overbodig. Gedwee liet de specht zich pakken en losknippen, terwijl ik ‘m ondertussen mooi kon bestuderen. Tjonge. De dag dat je zomaar een groene specht mag bepotelen.

Feest van kleuren
Als volwassen specht heeft ie straks nóg groenere vleugels en een nóg rodere pet. En waar dan het zwarte masker verschijnt, is nu nog een ingewikkelde doolhof van zwart-witte strepen te zien. Bijna nog fraaier. Tel daarbij op de héél lichtblauwe ogen, en hey ho, wat een feest van kleuren.

Ook in de lucht klonk nu ineens een luid jak-jak-jak-jak. De moeder? De vader? In elk geval een welkomstcomité dat de boel goed in de gaten hield. En eenmaal vrij van allerlei vervelende draadjes ging ie, de jongeling, als de bekende pijl uit de boog zijn familie tegemoet.

(hoe klinkt zo’n spechtenlach? Hieronder een goed voorbeeld, afgewisseld met een fazantenroep die klinkt als de ouderwetse deurbel waarvan je de knop met enige kracht moet indrukken met als beloning het onwelluidendste deurbelgeluid denkbaar: ‘krrrrggg-krrgg’.)

De fazant en de kippen

Tags

,


Hij was er ineens: de mannetjesfazant. We zagen ‘m rondscharrelen in de tuin, zo ver mogelijk bij ons – de bewoonde wereld – vandaan, maar zo dicht mogelijk bij de kippen. Die namen op hun beurt nauwelijks notitie van hun verre neef, wat ons vertelde dat de fazant al wat langer bij ze kwam buurten.

Daarna betrapte ik ‘m terwijl hij voor het deurtje van de kippenren zat en verlangend naar binnen tuurde, zijn kop op en neer bewegend om het allemaal nóg beter te kunnen zien. We snapten nu dat hij ook al eens binnen was geweest en daar de voederbakjes had ontdekt.

De rode schicht werd algauw een regelmatige bezoeker. En dat schuwe ging er snel vanaf. Dus kon het gebeuren dat we vlakbij in de border wat struikjes wild heen en weer zagen schudden, waarna de fazant eruit kwam strekkebenen om ons met licht verstrooide blik op te nemen: O, hee, waren jullie er ook? En dan natuurlijk toch op een holletje weg.

Later zagen we ‘m de stenen paadjes volgen, alsof ie nooit anders had gedaan. Kreeg hij ons daarbij in het vizier, dan stond ie stokstijf stil om zich daarna waardig om te draaien en hoog opgericht weg te lopen. Wel met af en toe een blik achterom. Je weet tenslotte maar nooit.

Etensbakje
Vandaag spande zijn vertrouwelijkheid de kroon. Pal voor de keukendeur staat een aanvullend etensbakje voor de kippen. En wie stond zich daar te goed te doen aan de graantjes?

Wezels hier, wezels daar, wezels overal

Tags

,


Al dagenlang dartelen er minimaal drie bruin-witte mini-teckels onbekommerd door de voortuin, of schieten rakelings achter ons langs terwijl we bij de keukendeur naar het verre gerommel van onweer staan te luisteren, verlangend naar een regenbui. ‘Wezels worden slechts incidenteel of bij toeval waargenomen’, stelt Stichting kleine marters. I beg to differ.

Het begon ermee dat de rattenvangkooi achter de kippenren – op geruime afstand van het huis – vier dagen op rij een wezeltje had ‘verschalkt’. Het kan niet steeds dezelfde zijn geweest, want elke wezel verhuizen we naar een struwelig plekje in het buitengebied. Het liefst zouden we ze gewoon bij ons weer loslaten. Maar wezels, klein als ze zijn, pakken gerust een haasje als het zo uitkomt, laat staan een tamme kip. En onze kippen zijn ons lief. Zodoende.

Voor nu bepalen de roofdiertjes zich tot hun favoriete kostje: woelmuizen. En getuige de talloze holletjes en gangetjes in het gras is er een ondergrondse muizenmetropool, waarmee ze nog wel even vooruit kunnen. Evengoed nemen we het zekere voor ’t onzekere.


Verhuizing onder groot protest

De eenmaal gekooide wezels verhuizen altijd onder groot protest. Er is ten eerste die bedwelmende muskusgeur waarmee je rijkelijk wordt verwend. En wat er ook mag zijn: hard, woedend gepiep en een geluid dat lijkt op ‘spugen in het kwadraat’, gecombineerd met gerichte uitvallen naar de hand die het kooitje beetpakt.

In de voortuin
Na die vier gevangen wezeltjes bleef de kooi bij de kippenren leeg. Maar nu zagen we in de voortuin pal voor ons huis een langgerekt lijfje rondhobbelen, Da’s ineens een heel stuk dichterbij.

En dan de wezel die tijdens de – eerder genoemde – onweersbui langs de keukendeur drentelt en op mensen stuit. Maakt hij rechtsomkeert? Zet ie er de sokken in? Niets van dat al. Hij dribbelt onaangedaan verder. Hoezo, zo bang als een wezel?

Luister naar wat de vogels je vertellen
Vandaag zag ik niet één, maar drie lange lijfjes in de voortuin. De eerste rende vrolijk Bintje voorbij, ons kleinste kipje, en bezorgde mij een hartverzakking. Bintje liet een verstoord kakeltje horen en draaide zich naar mij: ‘Heb je dat gezien?’ Daarna begon een winterkoninkje enorm te ratelen; luister naar de vogels in de tuin, ze vertellen je meer dan je denkt. En inderdaad. Om me heen kijkend zag ik hoe twee nieuwe wezeltjes zich bij de eerste voegden.

Even later huppelde verderop nog een wezeltje frank en vrij door de tuin. Hij koekeloerde wat rond, kroop in een stenen kommetje (misschien om te kijken of er water in zat), om daarna onder een graspluim te verdwijnen. Misschien was dit een van de eerdere drie wezeltjes, maar ik vermoed een vierde.

Zou dit een gezinnetje zijn? Of familie van de inmiddels ‘verhuisde’ wezels? Hoe dan ook: de rattenkooi staat nu bij de keukendeur onder het motto: wel goed, maar niet gek. Er wacht ze een mooie reünie in het buitengebied.

Nagekomen bericht: de volgende dag de eerste wezel gevangen en uitgezet. De tweede was drie dagen later aan de beurt, en nummer 3 deed er een hele week over om zich te laten vangen.

Een rupsvoertuig voor de kikkerpoel

Tags

,


De kikkerpoel groeit jaar na jaar een beetje verder dicht. Groeit kleiner, zou je kunnen zeggen. Langs de kant rukt het riet op, de bodem raakt verzadigd met plantenresten, en neerdwarrelende herfstblaadjes doen ook een duit in het zakje. ’s Zomers viel de poel al een paar keer droog. Er moest wat gebeuren.

Het eerste jaar gingen we nog fris van de lever zelf aan de slag. Lieslaarzen aan en de blubber in met handzeis en schop, en een flinke dosis ongefundeerd zelfvertrouwen. Met de hand trokken we worstelstelsels uit een zuigende moddermassa. We zagen zwart drab omhoog borrelen alsof we olie hadden gevonden; we roken een putlucht die bleek te horen bij het rottingsproces in de diepe diepten van de bodem en we tilden onze voeten op – ‘sshhjjllllp’ – terwijl de laarzen onwrikbaar in de vette klei bleven staan. Het viel om den drommel niet mee allemaal.

‘Oer’ genoeg
Laten we het ‘oer’ noemen. We waren lekker oer bezig, maar één keer per jaar was misschien wel oer genoeg. En van een jaartje overslaan, wordt zo’n poel ook niet meteen een labyrintische rimboe, vonden we. Die gedachte hielden we nog een paar opeenvolgende jaren vast, totdat we in het midden van de poel toch iets van een ophoging zagen ontstaan. En het riet op de oever rekte en strekte zich daarnaartoe. De twee wilden elkaar dolgraag eens een keertje ontmoeten, dat zag je zo – ze waren al een eind op weg. Bijna. Bijna, was het ze gelukt. Totdat we een stokje staken voor deze prille liefdesgeschiedenis.

Een Canta op rupsbanden
Afgelopen week was het zover. Er kwam er een klein kraantje voorrijden; een rupsvoertuig met een lange arm en aan het eind een schaar-schep. In het kielzog van het kraantje verscheen ook een kraanmachinist. Hij kwam de kikkerpoel ‘knippen’, zoals hij zei, en klom de cabine in. We zagen het voertuigje naar de poel hobbelen, luid brommend en in een tergend langzaam tempo: een Canta op rupsbanden.

Er ging iets hypnotiserends uit van het reiken en grijpen van de ‘arm’. Met elke haal zagen we weer wat wateroppervlak verschijnen. In een klein uurtje manoeuvreerde de machinist zijn kraantje de hele poel rond. Nu eens als een krabbetje opzij, dan weer balancerend op de helling. En geen enkele keer vergat hij de buffer aan de voorkant uit te klappen, om voorover kukelen te voorkomen.

Kikkers
Eén keer zette hij de motor af. “Hier zit een grote kikker in de modder”, riep hij. We volgden zijn blik en zagen het beestje uiterst traag over de klei kruipen. De machinist liet ‘m rustig naar het water scharrelen waar het de poel overzwom naar rustiger oorden. Hoewel de kikkers zomers met tientallen voor onze voeten wegspringen, zagen we er nu maar een handjevol. Des te beter. De meeste hebben al een schuilplaatsje gevonden voor de naderende winter. Misschien wel dieper in de modder dan waar de schep bij kon.

Volgend jaar hebben ze weer een echte poel. Een met water. Misschien wel het hele jaar door als het meezit. En in elk geval dieper dan hij in lange tijd is geweest. Intussen kijken de lieslaarzen ons wat verwijtend aan. Misschien volgend jaar weer, jongens. Maar ik beloof niks.

Van haardhout, kloofbijlen en foto’s van enkels

Tags



In alle vroegte stond ik me buiten te vergapen aan een zonsopkomst die z’n weerga niet kende. Een spekkoek van kleurlagen; roze, rood, geel, wit, blauw, oranje en alle tinten daar tussenin. In de flarderige lage nevel verderop dansten de witte wieven de horlepiep. Een mooi begin van deze oktoberdag, maar wat killetjes. Geen zorgen, want de nieuwe houtvoorraad voor de kachel is geregeld.

Vorig jaar nog haalden we onze houtjes bij de ‘overburen’ van het landschapsbeheer. Achter ons huis staan wilgen die elke drie jaar door ‘de groene jassen van dienst’ bevrijd worden van hun pruik; takken als mannenarmen en nog dikker. We maken een praatje en altijd hebben ze wat mooie stammen in de aanbieding – berk, beuk, els – die ze vervolgens komen storten.

Liefdevol gekust
Het hout moet dan nog wel een kopje kleiner worden gemaakt met de kettingzaag en daarna gekloofd. Met een kloofbijl – mind you – want een gewone bijl is na één klap een onwrikbaar onderdeel van het hout geworden, zoals wij door schade en schande hebben ondervonden. Ook moeten de blokken nog eerst een jaartje liefdevol worden gekust door zon en wind. Pas dan zijn ze droog genoeg om zelf in vuur en vlam te staan.

Hout te koop
Maar dit jaar doen we ’t anders. Onlangs kwamen we na een autoritje via een landelijk weggetje uit bij een boerderij met een bordje: Hout te koop. We keken om ons heen en zagen nergens hout. Dus stapten we uit.

Donker
In een aanpalend gebouwtje van de boerderij bestierde de vrouw des huizes een winkeltje met streekproducten; groente, fruit, zelfgemaakte jams en sapjes. Er was één klein raam, bijgestaan door een enkel lampje. Na wat rondtasten in het donker troffen we boerin zelve. Hout? Ja hoor. Ze haalde haar man. Want hout, dat is zoals wij allen weten, het onbetwiste terrein van de man.

Vliegtuigloods
En daar was hij al. Kaplaarzen, pet op, wenkbrauwen die een heel eigen leven leidden. Deze boer was ontsnapt uit de tv-serie James Herriot, dat zagen we meteen. Hij troonde ons mee naar een deur die we nog niet eerder hadden ontdekt; het lampje dat daar hing, brandde op halve kracht en zoemde als een bromvlieg. Hij gooide de deur open en toonde ons een hal met het formaat van een vliegtuigloods. Pellets met hout zover de blik reikte. Hoeveel kuub wilden we? Wilden we appelhout, kersenhout, berkenhout, elzenhout? Wilden we een mix?

De prijs was nog beter dan van het landschapsbeheer. Het hout was bovendien al gedroogd en gekloofd en bezorgen was geen probleem. We bestelden en gingen opgetogen huiswaarts.

‘Ze zingen’
Een week later was het zover. Een aanhanger met daarop twee kuub hout werd vakkundig en met achteloze vanzelfsprekendheid in z’n achteruit tussen de hekdeuren door gemanoeuvreerd. We begonnen met

Na het lossen.

uitladen en de boer sloeg twee willekeurige houtjes tegen elkaar. Er klonk een lichte ‘tink’. “Ze zingen”, zei hij. “Ze zijn goed droog. Laat ze niet natregenen.” We bergen ze gelijk op, zei ik.

Houtlawine
Voordat hij vertrok, liet hij nog wat filmpjes en foto’s op z’n telefoon zien. Over hout natuurlijk. We zagen een lawine van boomstammen en iemand die voor z’n leven moest rennen; een cirkelzaag van een meter doorsnee, en last but not least bloederige foto’s van zijn enkel, nadat hij daar per abuis met een bijl tot op het bot op in had gehakt: “…dit is toen het net gebeurd was (swipe) dit na één week (swipe), dit na twee weken…”

Littekens
Er waren ook nog wat littekens van andere hak- en zaaggerelateerde ongemakken, waarvoor mouwen en broekspijpen werden opgestroopt. Ik bekeek alles uiteraard belangstellend en meelevend. Daarop vertrok ie naar een andere klant die ongetwijfeld de foto’s en lichaamsdelen al kent, of ze anders snel zal leren kennen. Onnodig te zeggen dat ik me al verheug op volgend jaar.

De houtjes zijn opgeborgen. Spikkel en Bintje poseren bereidwillig.

 

De kippen en het ei, de ekster en de eend – I have a dream

Tags

, , , ,


Ik heb een deemoedige ekster in m’n handen gehad: een klein pakketje veren met een lange staart, en onder m’n vingers een snel kloppend hartje. In het verlengde daarvan hebben de dames Kip mij ‘a weeee bit’ teleurgesteld, waarover hieronder meer.

Het draait om Wil, de wilde eend, waarover ik in het vorige stukje al schreef dat ze in het gras zat te broeden op wel tien eitjes. Ze had een nestplekje uitgekozen aan de voet van een boom waarin de Famiglia Corleone-Ekster resideert, hoog in een uitkijkpost. Alles overziend. We hielden ons hart al vast.

Duikvluchten
Een paar dagen erna zag ik een ekster opmerkelijk vaak duikvluchtjes maken boven het nest. Ik vermoedde dat Wil was gaan poedelen, en dat de ekster haar eitjes van bovenaf kon zien. Als een grimmige bewaker posteerde ik me op een strategische plek, handenklappend zodra het zwart-witte gevaar zich weer aan een verkenningsvlucht waagde. Wist ik veel dat het al te laat was.

Raadselachtig gaaf
Nadere inspectie wees uit dat nog maar vijf eitjes – zonder Wil in de buurt – in het nestje resteerden. Puntgaaf, en geen spoor van de andere vijf; geen stukjes eischaal of struif. Raadselachtig. Een ekster kan toch geen heel ei in z’n snavel meenemen, dacht ik, totdat dit filmpje me uit de droom hielp. Eksters gedijen als echte Corleones bij de ‘hit en run’. Hap en weg. En bij elke verdwijning natuurlijk alles ontkennen, want ja, ekster-omerta.

Een uurtje later zag ik hoe een ekster wéér een ei had geroofd en de inhoud soldaat maakte, zittend op de grond. Dat was een inschattingsfoutje. Hij had buiten de kippen gerekend – en ik ook. Want gaat het om grote levenskwesties als ‘smikkelen en smullen’, dan hebben de dames Kip een antenne met een unheimisch bereik. Zó waren ze nog zoet aan het scharrelen, en zo zetten ze met langgerekte nekjes een enorme

De kippen hebben het ei geconfisceerd. Bovenop het hek zit de ekster zijn knopen te tellen.

spurt in naar de ekster. Die zag de posse komen aandraven, en maakte zich wijselijk uit de voeten door op een hekwerkje te springen. De kippen lieten er geen gras over groeien. Terwijl de ekster z’n knopen telde, aten de kippen het ei gulzig leeg. Fijn, dames, dacht ik. Tot zover jullie solidariteit met jullie achternicht met zwemvliezen.

Uit met de pret
In het nestje lag nu nog maar één ei. Eén prachtig onaangetast ei waar de ekster z’n naam al op had geschreven. We namen het eitje – met de grootte van een kippenei – mee. Hier hield het bachanaal op. Uit met de pret. De ekster onderzocht het lege nestje nog een paar keer, met weliswaar steeds minder overtuiging: ligt er echt niks meer, nee. Ligt er echt niks meer, nee. Eendenmoeder Wil liet zich niet meer zien. Stomme eksters.

Een dag later liep ik de openstaande ren in – de kippen lopen overdag in en uit – en trof daar een nietsvermoedende ekster aan die zich te goed deed aan het voer van de kippen. Zucht. Deze slimmerds gaan steeds een stapje verder. Vorig jaar wisten ze na verloop van tijd ook de kippeneitjes in het nachthok te vinden. Hoogste tijd om de opmars te stoppen. De ekster, geschrokken, vloog intussen van gaaswand naar gaaswand in een poging te ontsnappen. Ik sloot het deurtje van de ren achter me en dacht strijdvaardig: ‘Nu gaat het tussen jou en mij.’

Uit het lood
Ik pakte het waterbakje van de kippen, en een flinke gulp water trof doel. Zo’n verenpak is een uitstekende regenponcho, dus niets aan de hand. Maar de ekster was zichtbaar uit het lood geslagen en daar ging het om: dat hij vanaf nu vooral minder fijne herinneringen heeft aan dit plekje. Even zat hij stil, uithijgend. Ik plukte ‘m van het gaas en voelde onder m’n vingers een snel kloppend hartje. Het was maar een klein lijfje eigenlijk. Met één hand gemakkelijk te omvatten. Het beestje begon hard en klaaglijk te kermen, bijna als een baby. Van ergens buiten de ren kwam een antwoord: ‘rekketekketek!’ De partner.

Voordat ik ‘m vrijliet, kwam de kleine arrestant eerst met mij mee naar binnen. Daar drukte ik ‘m op het hart nooit meer eendeneieren te roven, ook niet meer in de ren te komen en straks ook geen jonge vogeltjes te eten – ik nam maar vast een voorschotje. Grote glanzende ogen keken me in stilte aan.

Tweede huisvredebreukeling
De dag erna betrapte ik weer een ekster in de ren. Ook die kreeg van mij een douche en ook nu kon ik ‘m van het gaas plukken. Terwijl partner ‘m vasthield, maakte ik een foto, waarna ook deze huisvredebreukeling z’n vrijheid terugkreeg. Het was niet dezelfde ekster als een dag eerder, gokte ik. Deze gaf geen kik. Geen gekerm, niets. En de snavelbeet was harder, driester.

Betekent dit dat we nu met de beide gezinshoofden van de Corleones een – met recht – spetterend onderhoud hebben gehad? Fijn zo. Dan is vanaf nu alles gelukkig pais en vree in de tuin. En kan Wil of Pommetje of eender welk eendje voor de verandering eens veilig komen broeden en – omringd door de goede zorgen van al wie in de tuin nestelt en vliegt – pulletjes op de wereld zetten. – I have a dream.

 

Zachte kraamkamer klaar voor tien pulletjes

Tags

, ,


Kraamkamer met donsveertjes van de moedereend.

In de tuin broedt een wilde eend. Niet dat we dat meteen in de gaten hadden. Tijdens het tuinieren trapten we haar – bij wijze van spreken – bijna op de staart, zo goed was het nest verstopt. Van schrik lanceerde ze zichzelf als een klapwiekend raketje en verdween. Nu pas zagen we het nest, met daarin tien prachtige eieren. We hoopten maar dat moeders snel weer terug zou komen. Dat deed ze.

Eerder al verschafte Pommetje, de Pommerse eend, ons de eer om in de tuin te gaan broeden. Onder een ontroerend open dak van strootjes zat ze, vol in het zicht en in barre weersomstandigheden, een tijdlang twee eitjes warm te houden. Daarna hield ze ’t voor gezien. Wel dachten we haar nog regelmatig te spotten in het gezelschap van een woerd, en wie weet heeft dat elders nog tot een tweede nestje geleid.

Eksters
Deze tweede Pommetje is een ‘gewone’ wilde eend – laten we haar toepasselijk Wil noemen – maar het aantal wilde eenden slinkt, dus we kunnen haar ook heel best dopen tot bijzondere wilde eend. Bijzonder is in elk geval dat ze praktisch onderaan een boom met twee broedende eksters haar kamp heeft opgeslagen. Toch een beetje alsof je je tentje in het volste vertrouwen opzet in de tuin van de familie Corleone.

Buurtsuper
We zijn er dus niet helemaal gerust op. Eerst de eitjes, en straks de pulletjes zo vlak onder handbereik; het is alsof er voor de eksters een buurtsuper is geopend met in-die-en-die-week een heel speciale aanbieding. Maar wie weet, is dit wel onderdeel van de tactiek: ‘Keep your friends close, and your enemies closer’.

Van de kippen trekt Wil zich niets aan. Die scharrelen en wroeten om en langs haar nest. Ik sluit zelfs niet uit dat ze geen erg hebben in de nieuwe buurvrouw, want haar nest is prachtig gecamoufleerd: een hoopje van droge strootjes en grassen. Eigenlijk zoals er wel meer zijn, maar deze heeft een holte die toegang geeft tot een knusse kraamkamer van zacht dons, door het aanstaand moedertje uit haar eigen borst geplukt.

Omzichtig, stapje voor stapje
Soms moet er ook even gegeten worden en dat gebeurt allemaal heel omzichtig om geen aandacht te trekken. Ze vliegt niet van het nest, ze sluipt ervandoor. Dat gaat stapje voor stapje met veel stilstaan, waarbij alleen haar kop

Deze diashow vereist JavaScript.

boven het gras uitsteekt als een mini-periscoopje. Met een grote omweg maakt ze uitstapjes naar de kikkerpoel en sluipt dan weer terug. Onnodig te zeggen dat we hartstochtelijk voor haar en haar kroost duimen.

Links het nest. Zoek de moedereend op weg daarnaartoe.

 

 

Korte ontmoeting met molshoop met lange oren

Tags


Het was een mooie lentedag, een van de eerste van het jaar. Het suikerbietenstoppelveld van Boer Biet lag er strogeel en zelfs een beetje warmgestoofd bij en wenkte uitnodigend. Nergens verroerde zich iets. Behalve heel in de verte misschien, twee molshopen met lange oortjes. Hazen. Wat een eersteklas camouflageontwerp toch, die bruingrijze en witte tinten.

Tussen de stugge stengels van het knollenveldje speelden ze met elkaar. Ze doken weg, trokken een korte sprint – bewegende stengels verklapten het gekozen hazenpaadje – en doken elders weer op. Lijfje en oortjes alert rechtop, maar evengoed zonder erg te hebben in de indringer met de camera. Geholpen door de zoom kon ik ze vanaf een afstandje begluren, zonder ze te alarmeren. En gelukkig maar, want als molshopen met oren het op een rennen zetten, heb je ’t nakijken.

Een van de hazen sprong de akker uit en huppelde door het gras naar de plek waar ik stond. Ik liet de camera even zakken. Zag ik dit goed? Jazeker: de haas repte zich onverdroten mijn kant op. Ik hield m’n adem in en bleef, steeds verbaasder, foto’s maken. Hazen zijn groot en pezig: één brok spieren en lenigheid. Dat kon ik nou eens goed van dichtbij bekijken. Op een afstandje van vijf meter gekomen, ging de haas alsnog vol in de remmen. Hij bekeek me een paar seconden in opperste verbazing, alsof hij wilde zeggen: waar kom jij nou vandaan?, en sprong toen haaks en met langgerekt lijf het stoppelveld in. Daar bleef hij rennen en haken slaan, totdat hij was versmolten met het bruin en geel van de akker, en er zelfs geen zweem te zien was van een molshoop met oortjes. Pas toen haalde ik weer adem.

De dag dat de ringmusjes de nieuwe tipi gingen inrichten

Tags

, , ,


Ringmus: kenmerkende witte ring rond de nek, donkere wangvlek en roodbruin kapsel.

Dagenlang was het stil in de tuin. De kou had de vogeltjes verdreven, of misschien zaten ze wel knus te cocoonen in het beschutte binnenste van een struikje; veertjes opgezet, warm als een dekbedje van eigen makelij – wie doet ze wat? Maar met de eerste warme dag was er een grootse comeback. 

Ze vlogen af en aan. Pimpels en kooltjes natuurlijk. En staartmezen, vinkjes, een roodborstje, een boomkruiper en zelfs een goudhaantje dat tegen het raam vloog – maar om de een of andere reden stelen de ringmusjes mijn hart. Vorig jaar telden we lukraak zo’n zes nestjes; ze waren bij ons letterlijk onder de pannen, maar ook als vogelhuisjesmakelaar deden we goeie zaken. Dit jaar hebben we een nieuw model in de aanbieding: ‘tipi’. Het was een gok; zouden ze het wat vinden?

Om ze te lokken, hingen we er een pindarekje naast, zodat het geknabbel van de koolmezen en pimpelmezen – de echte pinda-acrobaten – zou zorgen voor een dis van gevallen pindarestjes op de grond. Want zoals wij allen weten, hangen mussen zélf niet aan rekjes. Toch? Mis! Binnen een uur bungelde er aan het pindarekje een mus die daarbij ook nog gezelschap kreeg van een maatje. Het ging niet meteen geheel vlekkeloos, maar ze deden het toch maar. Vast afgekeken van hun acrobatische achterneven en -nichten.

Ze hadden het zo naar hun zin dat ze de tipi daadwerkelijk betrokken. De inrichting verliep voorspoedig. Mosjes, kippenveertjes, blaadjes en plantentouwtjes – met vereende krachten werd er van alles uit de tuin naar binnen getakeld. We menen zelfs te weten wat ze daarbij met elkaar bespraken. Een kleine bloemlezing:

Ga jij maar kijken of het wat is, daarbinnen. Houd ik die koolmezen in de gaten. Dat zit maar aan zo’n pinda-rek te lurken, alsof er niet gewoon gewerkt moet worden. En, is er genoeg ruimte voor het staand horloge van je vader?

 

Ja hoor, zelfs voor jouw kippenverenverzameling. Hee, die pindabuurtsuper is anders best handig. Ik doe gewoon wat de koolmezen doen. Moet je mij zien. Yeeeha! Moet je ook es proberen!

Halloooo! Ik zei: moet je ook eens proberen. Hee waar ben je nou?

 

O, ben je  al binnen?

– Ja, je bent zó enthousiast. Ik dacht: ik ga maar gelijk wat meubeltjes naar binnen sjouwen. Waar moet dit schilderijtje van je moeder komen: ‘Wie is er bang voor hooi, gras en stro?’ Het kan links of rechts om de hoek. Ik kan het trouwens ook opeten.

Ik kijk wel even mee. Wel schuin die muren, hè? Wie dat nou weer bedenkt. Zeker design, ofzo.

Nee niet daar, nee niet daar, nee n… ja daar. Iets hoger, nee lager, hoger, lager…
(Druk gestommel binnen)
Heb je nog een touwtje nodig om ‘m op te hangen? Deze vond ik net. Ze laten hier echt van alles slingeren.

 

En kijk es wat ik hier heb, een lekker zacht vloerkleedje. Pak jij ‘m aan?

 

 

.

Wel opschieten, want ik hou ‘m niet langer. Schiet nou oh-hop! Moet je zien hoe ik erbij hang.

– Joe, ik vlieg al.

 Hebbie ‘m? Hè-hè. Ik zag ook nog een commode naast die boomstronk. Zo terug.

Moeten we nog even kennismaken met de buren?

– Nee, nu gezellig op ons nieuwe terrasje zitten. Ben bekaf.

– Deal.

The Bog Road en ‘de donkere band van Alexander’

Tags

, , , , ,


We reden op The Bog Road, dwars door een grijsgeel desolaat gebied van rotsige heuvels, bezaaid met immense keien. Alsof een norse reus ze lukraak had rondgeslingerd. Dan weer ging het langs stille meertjes en drassige vennen; een weg waar het volgens de overlevering spookt. We waren in Ierland, Connemara.

In Ierland regent het altijd, behalve als het niet regent. Maar we hadden het geluk aan onze zijde. Voor ons lag een zonovergoten Bog Road met daarboven een blauwe hemel en wat verwaaide wolken.

We deelden de weg alleen met een paar schapen uit de streek, de Blackface Mountain sheep, en vroegen ons af hoe stil het hier zou zijn. Oorverdovende stilte, bestond dat hier? Dus zetten we de auto langs de kant en gooiden de deuren open.

Dat moet voor de weergoden het teken zijn geweest. Er stak een wind op – we moesten de deurportieren vasthouden – en het begon te hozen. Gedaan was het met de stilte. In plaats daarvan luisterden we naar het stromen van de regen en zagen een tijdlang geen hand voor ogen.

Met moeite tuurden we na een tijdje door de pijpenstelen naar buiten en daar, op krap vijftig meter bij ons vandaan, ontstond voor onze ogen een majestueuze regenboog. Vanwege de korte afstand tot ons, was hij breder dan welke andere regenboog ooit eerder gezien. Diep van kleur en toch bijna lichtgevend stond hij daar op z’n geboortegrond: voetjes aan de vloer. Als we wilden, konden we zó naar de pot met goud lopen en met een beetje goede wil zagen we ‘m zelfs staan.

Het begon te druppelen en de regen hield op. Zomaar. Maar de regenboog had er zin in. Hij gloeide nog meer en we zagen dat merkwaardige fenomeen, waarbij het landschap onder de boog verdwijnt achter een wit waas. Ook had de boog zich verdubbeld. De hoofdregenboog was rood aan de buitenkant, zijn maatje kleurde juist rood vanbinnen. Tussen de beide bogen heerste een diepgrijs: de zogenoemde ‘donkere band van Alexander’, hier nog wat beter te zien.

Het is allemaal te verklaren door de hoek waarin de druppels vallen en de breking van het licht. Natuurlijk. Maar daar hadden we, kijkend naar dit wonderschone natuurverschijnsel zo pal naast ons, allemaal even geen boodschap aan.

Het woeste en desolate van wegen als The Bog Road; zelf houd ik daar erg van. De weg ligt vlakbij de westkust van Ierland, in Connemara. Vanaf Roundstone 4 km naar het noorden op de R341 en dan linksaf naar Clifden, of andersom.

 

De reïncarnatie van Lassie waarschuwt

Tags

, , ,


De – al wat vermolmde – nestkast van de ringmussen werd vorig jaar gekraakt door hommels. Eerst zagen we een verkenner-hommel. Daarna een spion. Vervolgens marcheerde het hele stratego-regiment naar binnen. Na de zomer hieven ze zelf de staat van beleg weer op. De mussen, intussen uitgeweken naar de dakpannen, konden dit jaar dus wel een nieuw onderkomen gebruiken.

Een snor van nestmateriaal. 

We installeerden een stevig huis voor ze, met alle ruimte voor een kinderrijk mussengezin. Is het kastje niet te groot, dachten we nog. Krijgen ze ‘m wel gevuld? Dat viel alleszins mee. De nestkast werd bekeken en gekeurd, waarna de mussen af en aan vlogen met meubilair: mos, grasstrootjes en gevonden donsveertjes van de kippen. In twee dagen was de inrichting gepiept.

Een week later hingen allerhande strootjes en mosjes naar buiten en zag ik hoe zich nu het omgekeerde proces voltrok; één voor één werden de meubeltjes weer opgehaald. Ging het stelletje verhuizen, of was er een brutale inbraak gaande? Ik kwam er niet achter, en lette – een beetje ontmoedigd – wat minder goed op.

Wat is hier gaande? Verhuizing of inbraak?

En zo duurde het even voordat ik zag hoe een mus het nestkastje verliet met een volle luier in z’n snavel en weer naar binnen vloog met insectenhapjes. Kijk kijk, toch nog pril geluk, wie had dat gedacht.

Eksters op bezoek

Hoog in diezelfde boom bracht ook een eksterpaar z’n jongen groot. Regelmatig kwamen de ouders beneden kijken of er nog iets te verschalken viel. Omdat eksters er niet voor terugschrikken jonge mussen en koolmezen uit hun nestkastjes te peuteren, begeleidde ik hun bezoekjes met luid handengeklap. Na een tijdje was alleen al mijn verschijning voldoende voor ze om scheldend en al op te krassen. Een onvermoed talent waar ik misschien meer mee zou moeten doen. Intussen liet het uitvliegen van de

Snaveltjes te voeden.

musjes niet lang meer op zich wachten. Dat verried het toenemend gepiep uit de nestkast en ik zag het aan de nieuwsgierige mussenkopjes die steeds vaker voor het vlieggat verschenen.

Lassie waarschuwt voor eksters
Op een warme ochtend hoorde ik buiten een aanhoudend mussengekwetter dat ik had leren herkennen als alarmroep. Ik keek door het keukenraam naar de nestkast. Daar, pal voor het raam op een tak, zat een van de ringmusouders die – tegen mijn verwachting in – niet wegvloog toen hij me zag. Integendeel. Hij keek me nadrukkelijk aan, keek dan in de verte, weer naar mij en weer in de verte.

Hoe heb ik het nu, dacht ik. Daar hebben we Lassie, maar dan gereïncarneerd als mus. “Wat is er, Lassie?”, zei ik tegen het raam. “Is Timmie wéér in de waterput gevallen?!” Ik liep nu toch maar naar buiten en zag nog net hoe – inderdaad – een ekster, door mij opgeschrikt, wegstoof. Het mussengetjilp hield onmiddellijk op en de rust keerde weer. Die ochtend vlogen de jonge mussen uit, veilig en wel.