Op avontuur in de opwarmende ochtendzon

Tags

, ,


Doezelende reeën in de opwarmende ochtendzon.

De ochtenden van de aprilmaand zijn fris, de schaduwen nog lang. Jong blad filtert het prille zonlicht, en de belofte van warm weer hangt in de lucht. Deze nieuwe dag is nog terra incognita. 

Een fitis fluit z’n afdalende pruilliedje en de tjiftjaf zingt het aanloopje naar de uithaal ‘Vó-la-re!’ van Domenico Modugno. De winterkoning, die kleine stuiterbal met veertjes, toetert overal bovenuit. Ook doet het z’n ongeëvenaarde imitatie van twee kiezelsteentjes die tegen elkaar ketsen. Tsk-tsk-tsk! Jeugdherinnering: sla twee kiezelstenen tegen elkaar, houd daarna je neus erboven en snuif de onmiskenbaar rokerige geur van brand op.

Bij de grote waterplas aangekomen, een El Dorado voor zwemvogels, staat een man in waadbroek tegen steentjes te schoppen, handen in de zij. Hij draagt een bucket hat. In het zand ligt een pakket met kleine oranje vlaggetjes. Hij gaat vallen uitzetten voor muskusratten, vertelt hij. Die knagen in oevers en dijkjes, en gelden als zogenoemde invasieve exoten. De man zal zijn vallen in het water laten zakken en daarbij een oranje vlaggetje planten dat aanduidt waar ze staan. In de verte zien we de zonneschittering van een naderende auto, een kano op het dak. “Mijn vervoer”, zegt hij. Hij gaat straks peddelend de plas op.

Ik loop weer terug. De zon staat al hoger, het is aangenaam warm. Langs de kant staat een eenzame auto, een turende man ernaast. “Heb je misschien een hond gezien?”, vraagt hij. Op z’n telefoon toont hij een plaatje van een middelgrote hond met veel zwart en wit en ook wat bruin. Ik moet hem teleurstellen. “Ik liet hem uit, maar hij ontsnapte”, zegt hij. “Hij heet Finn. Misschien rook hij wild, een ree ofzo.”

Nu krijg ik ongemakkelijke visioenen van drachtige reeën of reeën met jongen, opgejaagd door loslopende honden van baasjes zonder overwicht. Het komt helaas elk jaar voor. Vandaag nog. Zie het tweetbericht.

(lees hieronder verder)

Ik beloof naar Finn uit te kijken, zet het nummer van de man in m’n telefoon en geef hem het nummer van de boswachter van dienst. Die wil ook wel graag weten dat er een hond losloopt, zeg ik. En hij kan misschien helpen zoeken. “Zal ik doen”, zegt de man. Hij bedankt en rijdt wat aangeslagen verder. “Finn!”, hoor ik hem uit z’n raampje roepen. “Finn!”

Intussen roep ik ook maar af en toe ‘Finn!’. Finn was bang voor mannen, maar niet voor vrouwen, had de man verteld. Dus wie weet. In de verte zie ik de auto opnieuw stilstaan. Een zwartwitbruine hond rent naar het openstaande autoraampje en wordt dankbaar in de armen gesloten. Het baasje heeft Finn weer gevonden, of eigenlijk Finn het baasje.

Vlakbij huis zie ik door de takken van een meidoorn een aanminnig en geruststellend tafereel. Drie reeën, één reebok en twee reegeiten, liggen in de opwarmende ochtendzon te doezelen, zich van geen hond bewust.

De geheimzinnige drollendraaier ontmaskerd

Tags

, ,


We hebben een geheimzinnige drollendraaier in de tuin, schreef ik onlangs. Er lagen uitwerpselen die niet van een hond waren, noch een kat. Met het oog op de kippen wilden we toch wel graag weten wat daar rondliep en zo kwam de wildcamera – ja, daar is ie weer – in ons leven. 

Wat we al hoopten én een beetje vreesden, is uitgekomen. Om half één in de vroege ochtend legde de camera vast dat Reintje ons met een bezoek vereerde. Hij keek wat onzeker in de lens en liep daarna uit beeld, prachtige staart en al.

Vossen spreken tot onze verbeelding. Nog nooit eentje in het echt gezien, en nu wandelt er zomaar een in de tuin rond. Maar ter wille van de kippen hopen we dat Reintje zich zal beperken tot uitsluitend nachtelijke bezoekjes. Wanneer de Juultjes, de Spikkies en de Klaartjes veilig in het nachthok zitten te snurken, zich van geen bezoeker bewust die er wel van houdt om te smikkelen en te smullen van een kippetje, hatsekidee!  ⬇️ Filmpje  ⬇️

Een nieuw gewei en elke dag jarig

Tags

, , ,


‘Vol verwachting klopt mijn hart.’ Dat is de beste omschrijving van mijn ochtenden sinds de wildcamera z’n intrede heeft gedaan. ’s Avonds en ’s nacht houdt hij z’n ogen open, als wij de onze dichtdoen. En elke ochtend voel ik me jarig: wat heeft hij nu weer namens ons gezien? 

Bastgewei, gewei in de groei.

Soms zijn het hobbelduiven, eksters of fazanten, rommelend tussen wat grasjes. Een poes op missie. Of een haas die door het beeld huppelt en z’n snoet poetst. Ze zijn me allemaal lief.

Soms is er een opname waarin niets gebeurt. Dan liet de wind misschien een graspluim wiegen. Maar vandaag zagen we dat de reebok die begin februari z’n filmdebuut maakte, ons weer een bezoekje had gebracht.

Hij droeg destijds nog z’n bastgewei – een gewei in de groei. Het oogt zacht en rond, dankzij een beschermend huidje dat hij verliest als het gewei volgroeid is. Dan veegt hij net zo lang tegen takken en bomen tot de bast plaatsmaakt voor de spitse punten daaronder. Klaar voor een eventuele concurrent in de strijd om de ‘dames’.

Vannacht was hij pontificaal in beeld. Op nog geen halve meter afstand van de camera stond hij uitgebreid te poseren. Hij kwam natuurlijk speciaal z’n nieuwe gewei even aan ons laten zien. Ja, dat moet het zijn.

Een puntig gewei, klaar voor de concurrent.

 

Op die ene dag van sneeuw

Tags

,


We hebben geen winterse winter om op terug te blikken. Geen sneeuw. Een beetje ijs. En nu één dag winterwonderland na een maand van droogte en zon. In de pasgeboren lente, nog wankel op de benen. Ik stond vroeg op voor een wandeling – op die ene dag van sneeuw. 

Lopend in de grienden, zag ik een vlek die donker afstak op de witte vlakte; een reebok lag in de sneeuw, rekte z’n nek en snoof de knisperfrisse lucht op. Zachtjes liep ik verder en kreeg twee reegeiten in het oog. Ze besnuffelden elkaar en waanden zich onbespied. Nadat ze kalm wegstapten, zoals alleen reeën dat kunnen – sierlijk, trefzeker, hoog op de poten – wandelde ik terug naar huis. Mijn dag was nu al goed.

De eerste melkronde
Bij aankomst stond in het naastgelegen witbepoederde weiland de boer z’n koeien te melken; de ochtendronde. Hij hoeft ze nooit te roepen. Rustig wandelen ze vanaf hun lopend buffet – een overdekt bouwsel, gevuld met hooi – naar de boer die al klaarstaat bij z’n melkbussen.

Een enkele koe laat daarbij haar diepe weemoedige stem horen en kijkt de warme ademwolken na. Een uur of zes ’s avonds volgt de tweede en laatste ronde. Dan staan ze er allemaal opnieuw.

De kippen hadden zo hun eigen sneeuwbesognes. Het vogelnet dat hun ‘veranda’ behoedt voor een buizerdaanval hing wit en zwaarbeladen omlaag. Onder het net was het nog steeds donker; de sneeuw had de schemering gevangen. De dooi kwam ‘m diezelfde dag nog bevrijden.

De wind in de wilgen, en een havik

Tags

, , ,


Een havik is in het zicht van ons keukenraam neergestreken, pal naast een wandelpad. Hij is moe. Al uren zit hij in een wilg bij te komen, ogen dicht. De harde wind is voor vogels doodvermoeiend. Gisteren zag ik hoe een reiger op topsnelheid het luchtruim doorkliefde, gejaagd door de storm. Naar een plek die het zelf vast niet meteen in gedachten had. Misschien zo ook de havik.  

Het kan ook zijn dat hij krachten opdoet voor de aankomende storm, Eunice. Vogels hebben de gave om aan de dalende luchtdruk te voelen dat er zwaar weer op komst is. Het schijnt dat de storm voor een ware volksverhuizing kan zorgen, waarbij typische zeevogels als de grote Jan-van-Gent ineens onvrijwillig in het binnenland opduiken. Maar ik ben al zeer verguld met de havik waarvan ik niet had kunnen bevroeden die ooit nog eens in het echt te zien.

De drollendraaier, de wildcamera en de ree

Tags

, ,


Het zal een maand geleden zijn dat we een wildcamera installeerden in het achterste stukje tuin. ‘Tuin’ is een groot woord voor het wanordelijk geheel van gras, onkruid en zompige grond dat zich daar dezer dagen ongegeneerd etaleert. Maar dankzij die weke aarde zagen we sporen die ons vertelden dat er tussen schemering en ochtendgloren reeën rondtrippelden. Die wilden we weleens zien.

----- 2 filmpjes onderaan -----

We hadden nóg een reden om daar een wildcamera neer te poten. Af en toe stuiten we er op ‘onbekende’ uitwerpselen. Niet van een hond of kat, maar van wat dan wel? Een vos? Een marterachtige? Ook de bekende ‘poepherkenningskaarten’ geven geen uitsluitsel. Wat bij ons rondloopt, heeft een broertje dood aan gemiddelde vormen, formaten en structuren. Een eigenwijze drol. Hebben wij weer. Maar met het oog op de kippen wilden we toch wel graag weten wat zich daar ophoudt.

Wildcamera
Zo kwam de wildcamera in ons leven, een rechthoekig ‘bakje’ gecamoufleerd als boomschors. Daartussendoor tuurt een grimmig oogje de omgeving af, terwijl een zonnepaneel de boel draaiende houdt. En dan is het wachten geblazen; wat valt er binnenkort allemaal te zien?

Teken van leven
Het bleek een kwestie van een lange adem. Het eerste teken van leven kwam ten slotte van twee voorbij strekkebenende fazanten. Weer een tijdje later streek een vlucht spreeuwen neer; de microfoon pikte het snelle snorren van de vleugeltjes op. Maar gisteren was het dan echt raak. In de late avond drentelde nietsvermoedend een ree voorbij. Er is een gewei te zien, nog met de bast erom. Een reebokje dus. In huize Kleinborkel ging de vlag uit. Nu de onbekende drollendraaier nog.  ⬇️ Twee filmpjes  ⬇️

De reïncarnatie van Muddy Waters


Ding-dong. Een buurvrouw op de stoep. “Zijn dat misschien jullie kippen die verderop los lopen?” We tellen alle lellen en kammetjes: nee hoor, iedereen present. Opnieuw de bel. Nu een voorbijganger met hond: “Zijn dat jullie kippen…?” Wat is dat toch met die kippen? Zelf maar eens kijken dan. 

Helemaal aan het eind van het paadje achter ons huis, drentelen drie kipse figuurtjes middenop het weggetje. We spotten in de gauwigheid twee prachtige hanen en een lief kipje. Als ze ons zien, verdwijnen ze snel de struikjes in. Ach jee, vast gedumpt. Iemand krijgt of koopt kuikentjes – leuk, voor de kinderen. En als ze groter worden, of een haan blijken te zijn, is de pret voorbij.

Gil Bill en de paaskippen. (Goeie bandnaam)

Zo hebben twee van onze eigen kippetjes een verleden als paasdecoratie bij de ingang van een hotel. Daar zaten ze als kuikentjes in een glazen bak, ter verhoging van de sfeer voor de gasten. Dat duurde precies twee dagen, zoals Pasen wel vaker twee dagen duurt. Toen moest de bak weer weg en de kuikentjes ook. Gelukkig was er een opvang die zich het lot van afgedankte kippetjes aantrekt en een goed onderkomen voor ze zoekt. Zo kwamen ze bij ons terecht met in hun kielzog een mank haantje – gedumpt langs de weg – in het bezit van een schrille countertenor. We doopten ‘m Gil Bill.

In het schijnsel van onze zaklamp zagen we…

Terug naar de verstekelingen. De Dierenbescherming wilde hiervoor niet uitrukken, dus besloten wij ze te vangen. De dagen werden al wat kouder en los daarvan: vossen en buizerds weten zo’n onbeschermd hapje ook te waarderen. Uitgerust met een reismandje en een zaklamp gingen we ’s avonds op pad. In het donker zien kippen weinig tot niets en dat moest wel in ons voordeel werken, dachten we.

Sluipen, kruipen en bukken
De kippen verrieden hun schuilplaats met zachte verontruste geluidjes. In het schijnsel van de zaklamp zagen we dat ze kwartier hadden gemaakt achterin de takken van een doornige struik. Slim. Maar het betekende ook dat we nu moesten we sluipen, kruipen en bukken door een wirwar van stekelig hout, en dat ging niet geruisloos. De kippen zagen misschien weinig, maar hoorden des te meer. De vangpoging eindigde in een hoop gekakel en drie wegvliegende schimmen die in het struikgewas een kort spoor van bewegende grashalmen trokken, om tenslotte door het donker te worden verzwolgen.

We zwiepten er op proef wat mee in het rond

De reïncarnatie van Muddy Waters.

We besloten dat een schepnet kon helpen met wat meer reikwijdte en togen naar de hengelsportzaak. Daar zwiepten we op proef met wat schepnetten in het rond totdat de eigenaresse kwam informeren wat we zochten. We willen een paar kippen vangen, zeiden we. “Dan moet u deze hebben”, zei ze onverstoorbaar – kippen, karpers, het begint allemaal met een k. Ze pakte een schepnet met telescopische steel en maakte ‘m in een handomdraai een halve meter langer. “En het net is mooi diep”, zei ze, “daar moet het wel mee lukken.”

Vagebondjes
Gewapend met reismand, zaklamp én schepnet ondernamen we nog verschillende pogingen, maar kregen uiteindelijk slechts één haantje te pakken. De andere twee vagebondjes zochten – wijs geworden – een nieuwe schuilplaats waar we ze niet meer konden vinden. Later troffen we het tweede haantje levenloos aan in een sloot. Erin gevallen? Achterna gezeten door een hond? Met dumpen help je een dier alleen maar van de wal in de sloot, soms letterlijk. Zorg er gewoon goed voor, of breng ‘m dan tenminste naar een opvang.

‘Muddy’ met eigen toompje.

Bluesintro
Met het gevangen haantje ging het intussen goed. Na een dagje acclimatiseren, hoorden we voor het eerst z’n zangstem. Het bleek dat we de reïncarnatie van blueszanger/gitarist Muddy Waters in ons midden hadden, die onvermoeibaar het klassieke bluesintro van I’m a man kukelde: pah-dáá-die-dùm.

Maar twee hanen op vier kippen; het is wat veel. Ook nu bracht de opvang uitkomst. Ze vonden een nieuwe eigenaar voor het haantje waar hij ook nog een geheel eigen toompje kreeg van eveneens geredde kippen. Hij schoot meteen in zijn rol van voorman en bloeide daar enorm van op. Zo simpel kan het zijn.

Van babylangoortjes naar pubers

Tags

,


Het was op een koude bewolkte dag, eind maart, dat we in de tuin op een jong haasje stuitten. Een baby nog, verstopt onder braamtwijgen en brosse rietstengels van vorig jaar. Z’n moeder had ‘m op het hart gedrukt: ‘Stilzitten onder alle omstandigheden. Vanavond kom ik terug met warme melk.’ Zoiets. Helemaal zeker weet je ’t natuurlijk nooit. 

De dagen erna was het plekje leeg. We zagen ‘m nergens meer. Wel stuitten we op wat uitwerpselen in het gras die net niet leken op die van een hond of kat. Een vos wellicht? We kruisten de vingers en duimden voor geluk.

Fast forward naar begin mei. Partner maaide het gras, of eigenlijk waren het vooral brandnetels en ander ongerief, we moeten het ook weer niet mooier maken dan het is. En daar rende een klein haasje voorbij – hallo, en dág – húp de struikjes in. We waren opgelucht. Hij of zij is er nog en ‘woont’ kennelijk in de tuin.

Hij zal niet al te erg zijn geschrokken, want na een tijdje zagen we ‘m opnieuw: pal naast het huis en bovendien met een broertje of zusje. Ze deden tikkertje en renden rondjes. ‘Ze zijn met z’n tweeën’, zeiden we ongelovig tegen elkaar. Twéé van die spelende langoren. En dan die ontroerende onbevangenheid.

Dit weekend besloten ze er nog een schepje bovenop te doen. Wel ja, puber nummer drie kwam zich melden. Sindsdien zien we ze bijna elke dag en dat is erg goed voor het humeur. Helemaal omdat ze vooral zevenblad eten. En de kippen? Die verblikken of verblozen niet. Tuurlijk niet. Ze hadden hun nieuwe buren al veel eerder gesignaleerd dan wij.

(hieronder nog twee foto’s: van twee naar drie haasjes)

De ernstige blik van een babyhaasje

Tags

, , , , ,


De ernstige blik van een babyhaasje De kippen zijn ware magneetjes voor andere dieren. Hun uitbundig gescharrel in de tuin is kennelijk een aanbeveling: ‘hier goed toeven’. Een postduif komt een paar daagjes bijtanken, een fazant wordt vaste gast, een eendje bouwt haar zachte nest. Maar de laatste ontdekking spant de kroon: de tuin blijkt een hazencouveuse. 

Zelf zijn we altijd de laatsten die ontdekken wie er nu weer in het kielzog van het kippenpelotonnetje meefietsen. Als we ze in alle harmonie met een vreemdeling zien rondbanjeren, weten we dat de nieuwkomer voor hen al volslagen oude koek is.

De kippen: eensgezind scharrelen met de langoor.

Natuurlijk wisten we wel dat er hazen in de tuin rondhupsten. Volwassen hazen, maar ook een keer een jonge haas – wellicht een puber – die heel vertrouwelijk ons raam voorbij kwam wandelen en rondjes rende om een perkje. En dat de kippen en de hazen vriendjes waren, wisten we ook. Dus keken we er niet van op toen we de kippen onlangs zagen optrekken met een uit de kluiten gewassen langoor. Was het de puber, opgegroeid tot stevige knaap of dame?

Levend boomstammetje
Hoe dan ook: gisteren trok partner er welgemoed met de grasmaaier op uit om in een uithoek van de tuin wat ongerief te lijf te gaan. Om zich heen kijkend zag hij verderop iets héél langzaam bewegen. “Ik dacht eerst nog dat het een mol was”, kwam hij zeggen, “maar ik denk dat ik een heel klein haasje heb gezien.” Het pasgeboren beestje zat tegen de grond gedrukt, prachtig gecamoufleerd als een boomstammetje en bekeek de wereld met ernstige blik. De grasmaaier ging de schuur weer in. Maaien kan altijd nog.

Warme hap
Een babyhaasje in z’n eentje is niet zielig; het verzamelt krachten voor later. Rustig en stil ligt het te wachten net als z’n broertjes en zusjes, elk op hun eigen verstopplekje. Want ’s avonds komt moeders met de warme hap. Lekker met rust laten dus. Nu duimen dat er straks meerdere argeloze puberhazen komen langshupsen.

Plat tegen de grond, oortjes naar beneden: ik ben er niet.

Tumult in alle toonaarden en iets met Pasen

Tags

, , ,


Ik stond in de tuin tussen een paar kippen die zo’n tumult maakten dat ik ze binnen helemaal had gehoord. Ik was naar buiten gestormd – je weet maar nooit, tenslotte. Het gevaar loert van alle kanten: katten, wezels, buizerds, en laatst nog een hond die een fazant achterna was gestierd, zó onze tuin in.

Z’n baas was erachteraan gebanjerd. Ook ‘hup’ de tuin in. We zagen ‘m lopen, het hondenfluitje werkeloos in z’n hand. Want Donar – die intussen als een dolleman de tuin doorkruiste – had oog noch oor voor wat z’n baas allemaal van ‘m wilde. Nadat ze weg waren, zonder fazant, zagen we het fluitje liggen in het gras. De eigenaar zal het niet al te erg missen, vermoeden we.

Terug naar de kippen. Ze kakelden er samen op los in alle toonaarden, en dat zijn er nogal wat. De haan spant daarbij de kroon met z’n paniekerige overslaande sopraantje. ‘Nou jongens’, zei ik. ‘Hoe kan ik u van dienst zijn?’ En ik telde even of alle gevleugelde vrienden er waren. Ruudje ontbrak. Ze was niet op de gebruikelijke plekjes en ook niet in het nachthok om een eitje te leggen.

Ter hoogte van het houthok hoorde ik ineens ritselende geluidjes achter me. Ik vermoedde een muis en draaide me om. Daar stak het kopje van Rudie net boven de rand van een tuinafvalzak uit.

Ah, we gaan wildleggen, begreep ik. ‘Vast oefenen voor Pasen, zeker?’, zei ik tegen Rudie, ‘en ons naar de eitjes laten zoeken?’ De andere kippen vonden haar gedrag hoogst merkwaardig. Ik kon me voorstellen dat haar gefladder naar hogere regionen bij de andere kippen tot consternatie had geleid.

Niet veel later verliet Rudie mopperend haar verworven plekje. Na de ontdekking was de lol eraf. Ze ging naar het nachthok en legde alsnog daar haar ei.

Coulisselandschap als Japanse knipkunst

Tags

, , , , , , , , ,


Een wonderschoon coulisselandschap in de vroege ochtendnevel, zo delicaat als Japanse knipkunst. Weliswaar zonder kraanvogel, maar wel met een grote zilverreiger die zich breed uitrekt. Het was op die septemberdag, weifelend tussen zomer en herfst, dat een dikke mist tot ver in de ochtend z’n billen parkeerde op de natte aarde. Ik liep er dwars doorheen en wachtte op de uitgestelde zonsopkomst.  ↓  

Deze slideshow vereist JavaScript.

De zon brak pas laat door en gaf alle ruimte aan de witte wieven die boven de weilanden hingen en in slierten rond de bomen dansten. Ze zweefden op de bosrand af en verdeelden de taken: jij bedekt de knoestige boomwortels, ik maak de kruin onzichtbaar, of misschien spreid ik halverwege de stammen mijn armen uit – laten we het ervan nemen, nu het nog kan. Bomenflard na bomenflard doemde op om daarna ook weer in het niets te verdwijnen. Magie. ↓

In de oranje gloed van grondmist, aangelicht door de nog onzichtbare zon, speurden grote zilverreigers en ooievaars naar muizen en kikkers. Ze waren er vroeg bij en strekkebeenden kalm, maar trefzeker door het weiland. Van mij mocht de zon nog even uitslapen. Ik had geen haast. ↓

 

Er moest hier een bos zijn, ik wist het zeker. Maar ik liep door een kleine stille wereld die weinig prijsgaf. Ik had op een bergtop kunnen staan met vergezichten en diepe kloven rondom en ik had het niet geweten.

Geleidelijk aan kreeg de lucht meer kleur en ineens brandde de zon door de mist heen. En daar, uitsluitend in het felle licht van die gloeiende bol waren enkele contouren te zien: slechts een paar takken onthulden dat daar inderdaad bomen stonden. ↓

Het duurde niet lang of de zon eiste haar rechtmatige plaats op. Weg met die nevel en die witte wieven. Er verschenen lange schaduwen en de grondmist dunde zienderogen uit om ten slotte op te lossen. De laatste zomerdag brak aan.

 

De dag dat je zomaar een groene specht in je handen houdt

Tags


De groene specht leeft vooral van mieren. Zonder mieren geen groene specht.

Nadat Bep, ons stoïcijnse broedse mopperkippetje, ooit pal voor de kippenren door een buizerd was aangevallen, spanden we daar een fruitnet. Onder hun eigen ‘veranda’ moesten de kippen veilig kunnen zijn. De afgelopen acht jaar is er geen buizerd meer aan te pas gekomen, dus missie geslaagd. Gisteren ‘ving’ dit net zélf een vogel; een groene specht. 

Tot mijn grote plezier had ik dit jaar al meerdere keren een groene specht in de tuin gezien – en vooral ook gehoord. Je kunt bijna niet om het geluid heen: een overslaand jak-jak-jak-jak dat klinkt als maniakaal lachen of zelfs uitlachen. Het is maar in welke stemming je verkeert.

Eenzijdige liefde
De allereerste keer dat ik een groene specht zag, in augustus 2016, was ik daar behoorlijk van ondersteboven. De specht zelf ook. Na één blik op mij, was ie weg. Nou moe, dacht ik nog. De liefde kwam duidelijk niet van twee kanten.

Gisteren had een groene specht wat minder geluk – en ik daardoor wat meer. Vlakbij de ren hoorde ik ineens een paniekerig jak-jak-jak-jak. Ik keek en werd aangestaard door een groene specht die zich vakkundig had vastgedraaid in het net. Het was een jong mannetje – rode ‘snorstreep’, maar nog geen zwart masker.

Snavel
Het beestje vond mijn belangstelling maar verontrustend. Hij begon druk te wriemelen en lachte er voor de zekerheid nog maar eens extra maniakaal bij. Ik op mijn beurt was wat beducht voor die snavel – een specht tenslotte – en pakte maar vast een paar werkhandschoenen. Die bleken geheel overbodig. Gedwee liet de specht zich pakken en losknippen, terwijl ik ‘m ondertussen mooi kon bestuderen. Tjonge. De dag dat je zomaar een groene specht mag bepotelen.

Feest van kleuren
Als volwassen specht heeft ie straks nóg groenere vleugels en een nóg rodere pet. En waar dan het zwarte masker verschijnt, is nu nog een ingewikkelde doolhof van zwart-witte strepen te zien. Bijna nog fraaier. Tel daarbij op de héél lichtblauwe ogen, en hey ho, wat een feest van kleuren.

Ook in de lucht klonk nu ineens een luid jak-jak-jak-jak. De moeder? De vader? In elk geval een welkomstcomité dat de boel goed in de gaten hield. En eenmaal vrij van allerlei vervelende draadjes ging ie, de jongeling, als de bekende pijl uit de boog zijn familie tegemoet.

(hoe klinkt zo’n spechtenlach? Hieronder een goed voorbeeld, afgewisseld met een fazantenroep die klinkt als de ouderwetse deurbel waarvan je de knop met enige kracht moet indrukken met als beloning het onwelluidendste deurbelgeluid denkbaar: ‘krrrrggg-krrgg’.)

De fazant en de kippen

Tags

,


Hij was er ineens: de mannetjesfazant. We zagen ‘m rondscharrelen in de tuin, zo ver mogelijk bij ons – de bewoonde wereld – vandaan, maar zo dicht mogelijk bij de kippen. Die namen op hun beurt nauwelijks notitie van hun verre neef, wat ons vertelde dat de fazant al wat langer bij ze kwam buurten.

Daarna betrapte ik ‘m terwijl hij voor het deurtje van de kippenren zat en verlangend naar binnen tuurde, zijn kop op en neer bewegend om het allemaal nóg beter te kunnen zien. We snapten nu dat hij ook al eens binnen was geweest en daar de voederbakjes had ontdekt.

De rode schicht werd algauw een regelmatige bezoeker. En dat schuwe ging er snel vanaf. Dus kon het gebeuren dat we vlakbij in de border wat struikjes wild heen en weer zagen schudden, waarna de fazant eruit kwam strekkebenen om ons met licht verstrooide blik op te nemen: O, hee, waren jullie er ook? En dan natuurlijk toch op een holletje weg.

Later zagen we ‘m de stenen paadjes volgen, alsof ie nooit anders had gedaan. Kreeg hij ons daarbij in het vizier, dan stond ie stokstijf stil om zich daarna waardig om te draaien en hoog opgericht weg te lopen. Wel met af en toe een blik achterom. Je weet tenslotte maar nooit.

Etensbakje
Vandaag spande zijn vertrouwelijkheid de kroon. Pal voor de keukendeur staat een aanvullend etensbakje voor de kippen. En wie stond zich daar te goed te doen aan de graantjes?

Wezels hier, wezels daar, wezels overal

Tags

,


Al dagenlang dartelen er minimaal drie bruin-witte mini-teckels onbekommerd door de voortuin, of schieten rakelings achter ons langs terwijl we bij de keukendeur naar het verre gerommel van onweer staan te luisteren, verlangend naar een regenbui. ‘Wezels worden slechts incidenteel of bij toeval waargenomen’, stelt Stichting kleine marters. I beg to differ.

Het begon ermee dat de rattenvangkooi achter de kippenren – op geruime afstand van het huis – vier dagen op rij een wezeltje had ‘verschalkt’. Het kan niet steeds dezelfde zijn geweest, want elke wezel verhuizen we naar een struwelig plekje in het buitengebied. Het liefst zouden we ze gewoon bij ons weer loslaten. Maar wezels, klein als ze zijn, pakken gerust een haasje als het zo uitkomt, laat staan een tamme kip. En onze kippen zijn ons lief. Zodoende.

Voor nu bepalen de roofdiertjes zich tot hun favoriete kostje: woelmuizen. En getuige de talloze holletjes en gangetjes in het gras is er een ondergrondse muizenmetropool, waarmee ze nog wel even vooruit kunnen. Evengoed nemen we het zekere voor ’t onzekere.


Verhuizing onder groot protest

De eenmaal gekooide wezels verhuizen altijd onder groot protest. Er is ten eerste die bedwelmende muskusgeur waarmee je rijkelijk wordt verwend. En wat er ook mag zijn: hard, woedend gepiep en een geluid dat lijkt op ‘spugen in het kwadraat’, gecombineerd met gerichte uitvallen naar de hand die het kooitje beetpakt.

In de voortuin
Na die vier gevangen wezeltjes bleef de kooi bij de kippenren leeg. Maar nu zagen we in de voortuin pal voor ons huis een langgerekt lijfje rondhobbelen, Da’s ineens een heel stuk dichterbij.

En dan de wezel die tijdens de – eerder genoemde – onweersbui langs de keukendeur drentelt en op mensen stuit. Maakt hij rechtsomkeert? Zet ie er de sokken in? Niets van dat al. Hij dribbelt onaangedaan verder. Hoezo, zo bang als een wezel?

Luister naar wat de vogels je vertellen
Vandaag zag ik niet één, maar drie lange lijfjes in de voortuin. De eerste rende vrolijk Bintje voorbij, ons kleinste kipje, en bezorgde mij een hartverzakking. Bintje liet een verstoord kakeltje horen en draaide zich naar mij: ‘Heb je dat gezien?’ Daarna begon een winterkoninkje enorm te ratelen; luister naar de vogels in de tuin, ze vertellen je meer dan je denkt. En inderdaad. Om me heen kijkend zag ik hoe twee nieuwe wezeltjes zich bij de eerste voegden.

Even later huppelde verderop nog een wezeltje frank en vrij door de tuin. Hij koekeloerde wat rond, kroop in een stenen kommetje (misschien om te kijken of er water in zat), om daarna onder een graspluim te verdwijnen. Misschien was dit een van de eerdere drie wezeltjes, maar ik vermoed een vierde.

Zou dit een gezinnetje zijn? Of familie van de inmiddels ‘verhuisde’ wezels? Hoe dan ook: de rattenkooi staat nu bij de keukendeur onder het motto: wel goed, maar niet gek. Er wacht ze een mooie reünie in het buitengebied.

Nagekomen bericht: de volgende dag de eerste wezel gevangen en uitgezet. De tweede was drie dagen later aan de beurt, en nummer 3 deed er een hele week over om zich te laten vangen.

Een rupsvoertuig voor de kikkerpoel

Tags

,


De kikkerpoel groeit jaar na jaar een beetje verder dicht. Groeit kleiner, zou je kunnen zeggen. Langs de kant rukt het riet op, de bodem raakt verzadigd met plantenresten, en neerdwarrelende herfstblaadjes doen ook een duit in het zakje. ’s Zomers viel de poel al een paar keer droog. Er moest wat gebeuren.

Het eerste jaar gingen we nog fris van de lever zelf aan de slag. Lieslaarzen aan en de blubber in met handzeis en schop, en een flinke dosis ongefundeerd zelfvertrouwen. Met de hand trokken we worstelstelsels uit een zuigende moddermassa. We zagen zwart drab omhoog borrelen alsof we olie hadden gevonden; we roken een putlucht die bleek te horen bij het rottingsproces in de diepe diepten van de bodem en we tilden onze voeten op – ‘sshhjjllllp’ – terwijl de laarzen onwrikbaar in de vette klei bleven staan. Het viel om den drommel niet mee allemaal.

‘Oer’ genoeg
Laten we het ‘oer’ noemen. We waren lekker oer bezig, maar één keer per jaar was misschien wel oer genoeg. En van een jaartje overslaan, wordt zo’n poel ook niet meteen een labyrintische rimboe, vonden we. Die gedachte hielden we nog een paar opeenvolgende jaren vast, totdat we in het midden van de poel toch iets van een ophoging zagen ontstaan. En het riet op de oever rekte en strekte zich daarnaartoe. De twee wilden elkaar dolgraag eens een keertje ontmoeten, dat zag je zo – ze waren al een eind op weg. Bijna. Bijna, was het ze gelukt. Totdat we een stokje staken voor deze prille liefdesgeschiedenis.

Een Canta op rupsbanden
Afgelopen week was het zover. Er kwam er een klein kraantje voorrijden; een rupsvoertuig met een lange arm en aan het eind een schaar-schep. In het kielzog van het kraantje verscheen ook een kraanmachinist. Hij kwam de kikkerpoel ‘knippen’, zoals hij zei, en klom de cabine in. We zagen het voertuigje naar de poel hobbelen, luid brommend en in een tergend langzaam tempo: een Canta op rupsbanden.

Er ging iets hypnotiserends uit van het reiken en grijpen van de ‘arm’. Met elke haal zagen we weer wat wateroppervlak verschijnen. In een klein uurtje manoeuvreerde de machinist zijn kraantje de hele poel rond. Nu eens als een krabbetje opzij, dan weer balancerend op de helling. En geen enkele keer vergat hij de buffer aan de voorkant uit te klappen, om voorover kukelen te voorkomen.

Kikkers
Eén keer zette hij de motor af. “Hier zit een grote kikker in de modder”, riep hij. We volgden zijn blik en zagen het beestje uiterst traag over de klei kruipen. De machinist liet ‘m rustig naar het water scharrelen waar het de poel overzwom naar rustiger oorden. Hoewel de kikkers zomers met tientallen voor onze voeten wegspringen, zagen we er nu maar een handjevol. Des te beter. De meeste hebben al een schuilplaatsje gevonden voor de naderende winter. Misschien wel dieper in de modder dan waar de schep bij kon.

Volgend jaar hebben ze weer een echte poel. Een met water. Misschien wel het hele jaar door als het meezit. En in elk geval dieper dan hij in lange tijd is geweest. Intussen kijken de lieslaarzen ons wat verwijtend aan. Misschien volgend jaar weer, jongens. Maar ik beloof niks.