Tags


Het was een mooie lentedag, een van de eerste van het jaar. Het suikerbietenstoppelveld van Boer Biet lag er strogeel en zelfs een beetje warmgestoofd bij en wenkte uitnodigend. Nergens verroerde zich iets. Behalve heel in de verte misschien, twee molshopen met lange oortjes. Hazen. Wat een eersteklas camouflageontwerp toch, die bruingrijze en witte tinten.

Tussen de stugge stengels van het knollenveldje speelden ze met elkaar. Ze doken weg, trokken een korte sprint – bewegende stengels verklapten het gekozen hazenpaadje – en doken elders weer op. Lijfje en oortjes alert rechtop, maar evengoed zonder erg te hebben in de indringer met de camera. Geholpen door de zoom kon ik ze vanaf een afstandje begluren, zonder ze te alarmeren. En gelukkig maar, want als molshopen met oren het op een rennen zetten, heb je ’t nakijken.

Een van de hazen sprong de akker uit en huppelde door het gras naar de plek waar ik stond. Ik liet de camera even zakken. Zag ik dit goed? Jazeker: de haas repte zich onverdroten mijn kant op. Ik hield m’n adem in en bleef, steeds verbaasder, foto’s maken. Hazen zijn groot en pezig: één brok spieren en lenigheid. Dat kon ik nou eens goed van dichtbij bekijken. Op een afstandje van vijf meter gekomen, ging de haas alsnog vol in de remmen. Hij bekeek me een paar seconden in opperste verbazing, alsof hij wilde zeggen: waar kom jij nou vandaan?, en sprong toen haaks en met langgerekt lijf het stoppelveld in. Daar bleef hij rennen en haken slaan, totdat hij was versmolten met het bruin en geel van de akker, en er zelfs geen zweem te zien was van een molshoop met oortjes. Pas toen haalde ik weer adem.