Tweemaal het nakijken, maar toen…

Tags

, ,


bruggetje boer biet

Het bruggetje van boer Biet in de vroege ochtend.


Dit weekend slaagde ik erin twee redelijk bijzondere vogels te verjagen, nog voordat ik ze überhaupt had gezien. ’t Is een gave. Maar gisteren kreeg ik een ‘waarneming’ in de schoot geworpen die de eerdere zeperds ruimschoots deed vergeten.

Het begon ermee dat het zonnetje me net iets te vrolijk en onstuimig maakte – het lag allemaal aan de zon moet u weten, niet aan mij. Wég was de gebruikelijke omzichtigheid. Niet in alle stilte aan komen lopen, niet alvast in de verte turen naar wat zich daar wellicht aan beestjes ophield. Ben je gek. Ik liep met verende tred – althans zo ervoer ik het – op het bruggetje van boer Biet af en floot een deuntje.

Aangekomen bij de oversteek, kloste ik de planken op en zong intussen met schrille stem Let the sun shine in. Het zat in m’n hoofd. Het moest eruit. En er was in de wijde omtrek geen mens te bespeuren; minstens zo belangrijk.

IJdele hoop
Dat was het moment dat het grote gefladder begon en mijn mond terstond dichtklapte. Uit het nabije gras verhief zich een purperreiger – een púrperreiger – die elegant, maar zeer verstoord wegwiekte. Nooit eerder in het echt gezien, maar o boy, ik herkende ‘m evengoed. Donkerder dan de ‘gewone’ blauwe reiger en met een oranje hals in plaats van wit. Een rode-lijstvogel ook nog: bedreigd. Lukraak drukte ik een paar keer af: paniekfoto’s. Het dier bleef doorvliegen tot het aan de einder oploste in het niets. Ik had het nakijken.

– De purperreiger: vage paniekfoto’s.

Groene schicht
Een dag later liep ik langs de schuur naar de kippen. ‘Héé kippen’, riep ik alvast. De begroeting zet altijd een gezellig en verwachtingsvol gepruttel in gang. Maar dit keer ook het gefladder van een groene specht die pal achter me op het schuurdak mosjes had zitten omdraaien op zoek naar insekten. Als een groene schicht vloog ie weg om in een boom verderop te gaan zitten mopperen over de overlast.

Bijna als een roofvogel
De vogel die ik gisteren zag, maakte alles goed. Ik was al op weg naar huis, met op de balans een blauwe reiger, een rietgorsje, een fitis en een paar kraaien. Leuk, maar niets nieuws onder de zon. Bijna thuis, stond in de verte een vogel op het paadje met het voorkomen van een duif. Voor de zekerheid maakte ik een foto, bekeek die op het schermpje en zoomde daar verder op in. Ik zag de kenmerkende horizontale streepjes op de borst, bijna als een roofvogel, en m’n adem stokte. Een koekoek. Al zo vaak gehoord en nog nooit gezien. Eveneens present op de rode lijst en doorgaans de schuwheid zelve.

koekoek5 koekoek2

Bosgalm
Denk ik aan de koekoek, dan denk ik aan zomerse vakantiewandelingen langs de Dommel, toen ik als kind voor het eerst een vogel hoorde die zijn eigen naam kon roepen. Ik vond het maar knap.

De bosgalm maakte dat de roep overal vandaan leek te komen en dus wist ik zeker dat ik dit dier nooit, maar dan ook nooit te zien zou krijgen.

“Zo, ben je daar dan toch nog”, zei ik – fluisterend – want ik had m’n lesje geleerd. De koekoek keek me aan, draaide zich uitgebreid naar links en dan weer naar rechts: strike a pose.

Ik maakte zoveel foto’s als ik kon. Helaas allemaal van veraf. Maar mij hoor je niet klagen.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
schaap2Mijn vorige bericht nog niet gelezen? Mocht je nu een momentje hebben – het kan een schapenleven redden: verwenteld schaap.

 

Een beste tippel naar de omgekukelde

Tags

, , ,


schaap2

Het was lekker fietsweer. Warm, maar niet te zonnig. Ik sjorde de camera om en trapte naar een veldje waar veel haasjes tussen het gras verscholen gaan. Denk je daar een flinke molshoop te zien, dan blijken er vaak oortjes aan te zitten. Andersom werkt dat meestal niet zo…

Onderweg passeerde ik een uitgestrekte wei, grenzend aan een bosrand. Daar, in de verte, lagen koeien loom te herkauwen naast een zee van gevlekte schapen. Temidden van alle grazers stond een kleine drom langgenekte ganzen. Ik telde er een stuk of vier, vijf. Vertrouwelijk waren ze opgerukt naar de schapen, alsof ze wilden zeggen: ja hoor es, wij horen er óók bij.

ganzen

Onderaan: net een koppeltje ganzen.

Grappig, dacht ik. Zoveel ganzen zie je niet op dit moment. Ik zoomde in.

Het waren geen ganzen en ook geen lange nekken. Het waren poten. Spartelende poten. Ze zaten vast aan een schaap dat overeind probeerde te komen, maar door z’n wollen jas was gegijzeld. Een gedwongen tuimelaartje.

Omgekukeld
Vanuit een treinraam zie je ze ook wel eens, omgekukelde schapen in de wei. Het staat zo koddig en toch valt er weinig te lachen. Is een schaap gedoemd ondersteboven te blijven liggen, dan komen de organen ernstig in de knel. Ook de longen. Wat volgt, is een langzame verstikkingsdood, mooier kan ik het niet maken.

Ik keek om me heen. Er vlogen wat zwaluwen rond, er hing een buizerd hoog in de lucht. Verder was het stil met nauwelijks een boerderij in zicht. Het schaap kon daar nog lang zo liggen.

Gestribbel
Ik klom het hek over en liep het bultige grasland in. Nou, dat was nog een beste tippel naar de ongelukkige. Met één oog hield ik de koeien in de gaten. Als daar een waakse stier tussen zat, was ik nu al te ver om nog tijdig terug te komen bij het hek. Ik bleek niet de enige met onheilspellende gedachten. Het schaap had mij in het vizier gekregen en dacht daar duidelijk het hare van, te zien aan het toegenomen gestribbel.

Daar lag ze dan: grote schrikogen, poten onzeker schrijvend in de lucht. Hoe zou ik het aanpakken? Ik had ooit eerder een schaap omgerold, duwend in de rug. Maar nu stond ik al pal voor de achterpoten. Misschien kon ik die vastpakken en ze zijwaarts naar de grond duwen, dacht ik. Dan ligt ze in elk geval al op d’r zij.

Veeg uit de pan
Ik greep de trappelende achterpoten vast en voelde me subiet een kraandrijver met op hol geslagen hendels. Terug naar plan A dan maar. Ik stapte om het dier heen en rolde haar vanaf de zijkant overeind. Op een holletje ging ze ervandoor naar haar vriendinnen. Mooi, ze was nog tierig genoeg. Hopelijk gaf ze ze een veeg uit de pan: ‘Aan jullie heb ik ook niks, stelletje hooibalen.’ Veiligheidshalve wierp ik nog een blik op de koeien – geen woest gesnuif of getrappel daar – en liep terug naar het hek.

Verwenteld
Er blijkt een naam voor het fenomeen te zijn: een ‘verwenteld’ schaap. Maar veel belangrijker: ik kwam erachter dat mijn aanpak, een rugduw vanaf de zijkant, allesbehalve een aanrader is. Want daarmee kan – hoeft niet, maar kán – het schaap een gedraaide maag oplopen en dan is Leiden eveneens in last. Halleluja, daar sta je dan met je goede bedoelingen.

Wat mag dan wél de juiste manier zijn? Nou, deze: ga achter het schaap staan en zet haar overeind op haar kont. Na een tijdje duw je haar verder voorover op haar poten. Er bleken zelfs verhelderende filmpjes van te bestaan, opdat iedereen een volleerd ‘onverwentelaar van schapen’ kan zijn. Ze kunnen je maar een keer hard nodig hebben, tenslotte, de wolletjes.

The good, the bad and the ugly (2)

Tags


Vervolg (klik hier voor deel 1)

Witje herstelde iets te goed in het mini-rennetje. We hadden ’t deels omheind met gaas, zodat ze ook naar buiten kon zonder last te hebben van haar nemesis Saar. Maar na wat blij gescharrel in haar ‘voortuintje’ zat ze ineens bovenop het dak van de ren. Dág omheining!

Met Saar in de buurt, was goede raad duur. Want staand voor de mini-ren had die zich – ook na een nachtje van bezinning – meteen weer een bully in optima forma getoond. Het was zelfs voor ons ongemakkelijk om te zien hoe dit aanhankelijke kippetje zulk Jekyll & Hyde-gedrag kon vertonen. Maar ja, wat weten wij ook van alle deliberaties onder die schedeldakjes.

IJsberen
Toch deden we er geen goed aan Witje nog langer in de kleine ren te houden. Licht maniakaal ijsbeerde ze het trappetje op en af en op en af. Straks ging ze nog heen en weer wiegen, de vlerkjes om zich heen geslagen… De rollen moesten maar eens worden omgedraaid. Saar ging het rennetje in en Witje zette ik bij Spikkel. Daarbij wierp ik mezelf op als scheidsrechter, want ook tussen Witje en Spikkel was het geen rozengeur en maneschijn geweest.

Witje en Spikkel

Witje en Spikkel samen onder een struikje.

Gewapende vrede
Dat was het nog steeds niet. Spikkel bevroor. Pikte daarna Witje vol in haar rug en joeg haar achterna. Maar tenminste niet met de onbeteugelde furie van Saar.

Het kwam tot een gewapende vrede toen Spikkel besloot dat haar buik belangrijker was; ze ging scharrelen. Zolang Witje niet te dichtbij kwam, was er weinig aan de hand. En Witje keek wel uit. Een uurtje later zag ik ze samen onder hetzelfde struikje zitten.

Ontsnappen
Dat Saar nu in het rennetje zat, maakte haar er bepaald niet milder op. Zo gauw ze Witje zag, wilde ze er nog steeds op los timmeren. In de loop van de dag veranderde dat. Meer en meer hield haar brein zich bezig met ontsnappingsscenario’s; ze had haar rennetje ‘uit’. Met haar snavel speurde ze elke gazen opening af en als Witje daar toevallig achter stond: so be it. Ook binnen ploos ze alle mogelijkheden uit. Vanuit de legkast kwamen zwaar schrapende geluiden en door de bodem dwarrelde zaagsel naar beneden. Daarna hoorden we gebonk en zagen af en toe het hele rennetje heen en weer schudden, alsof ze met meubeltjes stond ze schuiven.

Die niet waagt…
Ook Saar bracht een nachtje door in Zorgvilla Kip en Rust en daarna vond ik het welletjes met al dat geredder. Witje was hersteld en Saar – hopelijk – geherprogrammeerd. Ik ging het erop wagen. Saar mocht naar buiten waar Witje en Spikkel al rondliepen.

Genoeg is genoeg
Met wat lekkere hapjes leidde ik hun aandacht af. En o, o, o, wat stonden ze zoet te smikkelen die eerste drie seconden. Daarna keek Saar opzij, zag Witje en kreeg een rood waas voor haar ogen. Maar nu overspeelde ze haar hand. Witje – weer op krachten – had inmiddels schoon genoeg van Saar en haar muitgedrag. Ze pikte haar bully eens flink in de kuif en rende haar achterna totdat Saar zich piepend in een stuikje terugtrok en daarvandaan Witje monsterde met hernieuwd ontzag. Witje, op haar beurt, dribbelde rechtstreeks naar de grote ren, waar ze tevreden pruttelend het nachthok inliep om er een ei te leggen. Dit keer mét schaal.

The good, the bad and the ugly (1)

Tags

,


Met huisdieren heb je – het zijn net kinderen – elke dag kans op een hartverzakking of drie. Maar van de week was het echt prijs. We keken naar buiten, zagen Witje lopen en keken nog eens; we konden haar beter Roodje noemen, ontdekten we. 

trio4Alsof er een emmertje rode verf over haar kopje was gegoten, zo zag ze eruit. Bloed. Met grote ogen keek ze erdoorheen; de kipversie van de film Carrie. Een lichte regen had het druipeffect verergerd – maar dat wisten we toen nog niet. We zagen alleen al dat rood op haar kop en nekveren, en zelfs spatjes op haar ruggetje, staart en poten. “Ze heeft een blauw oog”, zei partner werktuigelijk in een poging tot no panic, no panic.

trio3Nadat we haar een warm badje hadden gegeven, maakten we de schade op. Het bleek mee te vallen. We constateerden enkele ontvelde plekken en schrammen op kop en kammetje. En alles ‘deed’ het nog. Was ze ergens door van de kook geraakt en de stekelige bramen in gevlucht? Of was het onwaarschijnlijke gebeurd en had de sisterhood haar zo toegetakeld? We weten het tot op heden niet.

Vechthouding
Wat we wel weten, is dat een kip met wondjes niet goed samengaat met andere kippen, zelfs niet als het zusjes zijn. Geen welkomstcomité voor Witje dus. In plaats daarvan namen Saar en Spikkel onmiddellijk de haantjesvechthouding aan: hoog opgericht, nekveren opgezet en dan uitvallen met de poten naar voren. En pikken. Op dat beschadigde kopje. Witje zette het op een lopen en gelijk had ze. Het was niet anders; we moesten haar tijdelijk hospitaliseren in het mini-rennetje, waar ze natuurlijk à la minute op uitgekeken was.

– Bully Saar wil dwars door het gaas naar Witje.

Daar trof Saar haar aan – hee zit jij hier? – waarna uitgerekend zij, de underdog, transformeerde tot een regelrechte Godzilla, houwen uitdelend aan het gaas ter hoogte van Witjes kop. Et tu, Saar? Hoe nu? Zag ze kans op een hogere rang nu een meerdere in de lappenmand was? Spikkel, de topkip, hield zich daarentegen verrassend rustig, maar ook afzijdig.

trio7

Een slaperig Witje na alle tumult. Het kammetje bleker dan anders.

Time out
De hele dag bezochten ze met tussenpozen het ziekenboegje, waarbij Saar, de nieuwbakken bully, steevast met haar spierballen rolde. Maar toen we op een onbewaakt moment even met onze ogen knipperden, zaten ze ineens alledrie zoet hun veertjes te poetsen, waarna er eveneens gezamenlijk een tukkie werd gedaan: time out. (Foto’s onderaan)

windei’s Avonds, nadat alle snaveltjes toe waren – Witje in haar mini-rennetje – zag ik dat ze daar ondanks alle commotie zowaar een ei had gelegd. Een windei weliswaar – een zacht in te deuken ei zonder schaal. Vaak het signaal van stress. Een hele prestatie dus, deze bevalling, na de doorstane heksenketel.

Wordt hier vervolgd.

trio5trio6

Zeg, bosrietzanger, nu effe niet, ja?

Tags

, ,


Om half vijf ’s ochtends gewekt worden door een optreden van de bosrietzanger is geen onverdeeld genoegen. Wat overdag een genot is om naar luisteren, laat zich met een hoofd vol watten het best omschrijven als een op hol geslagen opwindbeestje dat met een arsenaal aan fluitjes, trommeltjes en cimbalen als een krankzinnige tekeergaat.

bosrietzanger

Een vaag oogje tussen de blaadjes door.

Het beestje houdt me danig bezig, want je hoort ‘m wel, maar ziet ‘m niet. Vanuit de diepte van een struik toetert ie je de oren van het hoofd. Met héél veel geluk zie ik af en toe een vaag gedaantetje van tak wisselen, dat zichzelf tijdens het zingen begeleidt door met de vleugeltjes de maat te slaan.

Deur dicht!
Soms herhaalt hij zich op bijna bestraffende toon. ‘Doe die deur dicht, doe die deur dicht’, heb ik ‘m al horen roepen vanuit z’n bosje; het Heilige der Heiligen waarin ie zich schuilhoudt. En dus ben ik al blij met een foto van een vaag oogje tussen wat blaadjes door. Hoe ie er dan in z’n geheel uitziet, deze excentrieke prins van de coloratuur, oftewel The Artist Formerly Known As Bosrietzanger? De video hieronder – niet van mij – laat ‘m zien én horen.

Imitator van de ratelslang
Tussen al z’n drukke fluitjes meen ik ook wel eens andere (vogel)geluiden te herkennen. En lo and behold, de bosrietzanger blijkt bekend te staan als een imitator. Het metalige geluid van het koolmeesje zit in z’n repertoire, net als de rasp van de spreeuw en het gekras van de kraai. Maar ook het ‘tsss’ van een hi-hat zit in dat kleine keeltje én het ratelslanggeluid van de vibraslap. Hoe dat instrument klinkt? Een video daarvan staat onderaan. Doe ik ondertussen een poging deze fotoschuwe zonderling alsnog een beetje herkenbaar op de kiek te krijgen. De aanhouder wint, zeggen ze.

Geluidsopname boven: vanaf de tiende seconde gaat ie ‘loos’.

Boer Biet en z’n haasjes

Tags

,


haasje2

Het heeft iets surrealistisch: binnen aan tafel zitten lezen, en buiten – op krap twee meter afstand – een haasje doodgemoedereerd voorbij zien wandelen. De Alice (die van Wonderland) in mij werd wakker. Het mag dan geen wit konijn zijn, maar is een haas eigenlijk niet veel leuker? Erachteraan.

haasje3Wat een dartel beestje was het. Het ging op ontdekkingsreis door de hele tuin. Rende rondjes om een perkje ‘hee, hier was ik net ook al’, verkende de houtvoorraad, schuilde onder een bankje en hipte naar het hek om daar tussen de plankdelen door naar ‘buiten’ te koekeloeren. Daarna kroop ie onder het hek door en… weg. Een paar dagen later hetzelfde liedje: wandelend haasje, rondjes rennen, hippen, hek, weg. Het is vast nog een puber, dacht ik. Zo argeloos.

Boer Biet
Het deed me denken aan een gesprekje met boer Biet. Ik kwam ‘m tegen op z’n mini-trekker, nadat hij gerst had gezaaid in het veld waar we op uit kijken. Gerst! Van binnen jubelde ik stiekem bij het horen daarvan. In de zomer zo’n akker vol synchroon wuivende glanzende halmen in de zon; is er iets mooiers denkbaar?

haasje hek

Door het hek naar ‘buiten’ kijken.

Vossen en buizerds
Boer Biet bleek van hazen te houden en dan niet zozeer in de pan, maar springlevend. Al landbebouwend ziet hij weleens jonge haasjes in het pad van zijn maaier liggen. Met twee wijsvingers gaf hij een afstand aan van een centimeter of twaalf. Zo klein soms nog. In het gras wachten ze berustend af wat komen gaat. “Andere boeren rijden meestal door. En haasjes die dat overleven, liggen onbeschut op een kaal gemaaid veld. Voer voor de buizerds en de vossen”,  vertelde hij. Boer Biet stapt af en neemt ze mee naar huis. “Het zijn leuke beestjes.”

Tafereeltje
En dan, vroeg ik. Wat geef je ze te eten, en hoe? Het verweerde gezicht van de boer verzachtte: hij zag het tafereeltje voor zich. Speciaal voor de jonge haasjes koopt hij melkpoeder voor puppies, vertelde hij. Dat lengt hij aan met water. En dan? Dan geeft deze knoestige man de kleine haasjes de fles.

Dierenarts
De eenmaal grootgebrachte hazen is hij ook wel eens verloren aan een virusinfectie. Het zit ‘m zichtbaar nog dwars. Dus laat hij ze tegenwoordig, als ze oud genoeg zijn, inenten door de dierenarts. Tsss, een boer die met een haas naar de dierenarts gaat… Niet goedkoop ook. Dat zullen ze daar niet vaak zien, zei ik. Hij lachte een klein instemmend lachje in z’n baard. Het zal boer Biet een biet zijn; het gaat ‘m om z’n haasjes. Nog steeds lachend startte hij z’n trekker.

haasje

De houtvoorraad verkennen.

Verward persoon gesignaleerd – en twee torenvalken

Tags

, , , , ,


torenvalklichter

Biddend boven de kippenren; een torenvalk.

Een mens kan niet eens meer rustig op een zandpad naar een tureluur kijken, zonder te worden aangezien voor ‘een geval.’ Iets specifieker: voor een persoon die ‘in verwarde toestand’ het huis heeft verlaten. En ik had m’n haar nog wel gekamd.

Net deed ik m’n uiterste best een badderend tureluurtje te fotograferen – wat zijn ze toch grappig – toen partner me tegemoet kwam lopen op het paadje langs ons huis. Of ik die politieauto nog had gezien. Politieauto? Jazeker, zei hij. Een agente was al voortvarend op weg geweest naar mij, omdat ik aan ‘een signalement’ voldeed.

tureluur3

Een tureluur: half zo groot als een eend, knaloranje poten, maakt voortdurend kleine buiginkjes. Alsof ie hier in een houtsnede rondloopt. 

Lollig
‘Kent u die persoon?’, had ze gevraagd aan de eerste de beste die ze onderweg tegenkwam: partner. Het pleit voor ‘m dat hij besloot niet lollig te doen – ik zie hem ervoor aan – en de agente volmondig geruststelde. Ja, die kende hij wel en nee, dat was zeker geen verward persoon, nou ja misschien soms, maar dan in elk geval ongevaarlijk. Okee, toch een beetje lollig.

Ergens vond ik het jammer. Weg kans om zelf te bewijzen hoe niet-verward ik was. Zou ik de toets der kritiek hebben doorstaan? Met m’n tureluur, en laten we vooral m’n gekamde haar niet vergeten. Dat zal toch zeker ook een woordje meespreken?

Pandemonium
Een dag later stapte ik naar buiten om middenin een pandemonium terecht te komen. Luid kakelend en fladderend kwamen de kippen aandraven. Daardoorheen hoorde ik een gepiep van jewelste. De veroorzaker torenvalk4– een torenvalk – scheerde laag en op z’n kant door de lucht, het bruine ruggetje naar mij toe. Een stuntvlieger in een groundsweep; met één vleugelpunt had ie het gras kunnen aantikken.

En daar was zowaar een tweede torenvalkje. Met m’n blik waren ze al nauwelijks te volgen, zo snel schoten ze de tuin door, luid en doordringend piepend. Ze bleven. Ik zag ze de hele dag vliegen, zogezegd. En bidden. Boven de kippenren. Dat vond ik nou weer minder gezellig. Torenvalken mogen dan kleine beestjes zijn; ik gaf de dames Kip toch maar huisarrest. Maar dat was nog niet alles. kraaibuizerd

Nog geen uur later buitelden er een kraai en een buizerd door de lucht. De buizerd kreeg ongenadig op z’n tater van de kraai die ongetwijfeld in de buurt aan het nestelen was en geen zin had in pottenkijkers. Hij draaide, kleiner, feller en veel wendbaarder, om de buizerd heen met uitgestoken klauwtjes. buizerdkraaiDe buizerd wiekte opzij, liet zich vallen en ontweek de aanval.

Bumperkleven
Even later waren de rollen omgekeerd en moest de kraai alle zeilen bijzetten om de buizerd voor te blijven. Die hing nu als een grote bruine bumperklevende bolide achter een zwart Golfje. En zo ging het stunten nog een tijdje door. Uiteindelijk koos de buizerd eieren voor z’n geld. Zo’n kraai toch.

Heeft dit verhaal nog een moraal? Nou en of. Wie een vrouw – met gekamde haren, mind you – midden op een zandpad bewegingsloos en gebiologeerd omhoog ziet staren dan wel recht vooruit; blijf kalm. Zij is niet verward, maar raak haar ook niet aan en maak geen onverwachte bewegingen. Waarschijnlijk staat zij daar in opperste concentratie te turen naar een beestje, waarvan ze hoopt dat zij – noch iemand anders – het verjaagt, ten einde daarvan kond te kunnen doen op een dezer pagina’s.

Van de wal in de sloot met gebroken vleugel


gans2

Ondertussen begon het te hagelen. En flink ook.

In welke gevallen bel je de dierenambulance? En vinden ze een wilde gans wel de moeite waard om voor uit te rukken? Dit was nu al de derde dag dat ik langs een sloot op dezelfde plek dezelfde grauwe gans zag, met een vleugel die niet lekker ‘zat’. Ernaast een trouwe waakzame partner. Wat te doen?

ganzen2Op de eerste dag zag z’n pluimage er vooral erg warrig uit. Alsof ie z’n veren even moest schikken. De tweede dag hing de vleugel naast het lijfje, en de derde dag was duidelijk dat het uit zichzelf niet goed zou komen. De partner ernaast wachtte trouwhartig tot dat wél gebeurde. Met z’n tweetjes waren ze achtergebleven, nadat de rest van hun posse al eerder was vertrokken. Een veeg teken.

Ik belde de dierenambulance. Aan de andere kant van de lijn een meelevende luisteraar die me aanraadde na te gaan of de gans écht niet kon vliegen. Ze hadden namelijk ooit een soortgelijke melding gekregen over een zwaan die, nadat de hulptroepen waren gearriveerd, vrolijk wegvloog. Vandaar.

Ik had er een hard hoofd in, maar goed. In plaats van aan de gans voorbij te lopen bleef ik dit keer staan, de brede sloot tussen ons in. Dat was al genoeg voor de gans om in beweging te komen. Natuurlijk vloog het dier niet weg met die slepende vleugel. Terwijl zijn partner het weiland inliep, zocht hij zijn toevlucht in de sloot.

Benny Hill
De dierenambulance kwam dus alsnog. Drie man sterk, onder wie een stagiair, allemaal voorzien van schepnetten met een te korte steel voor deze brede sloot. En zo begon een achtervolging Benny Hill waardig. Want al had de vleugel van de gans er geen zin meer in, de rappe zwempootjes gans5maakten dat meer dan goed. Het beestje zwom zigzaggend de hele sloot af en wist ook behendig de netten te ontwijken, waarmee hij vanaf bruggetjes uit het water geschept dreigde te worden. Hij dook zelfs onder, lamme vleugel en al. Zwoegend, weliswaar. De stagiair opperde om ‘m te lokken met brood. “Een dier op de vlucht neemt de tijd niet om te eten”, zei z’n mentor terecht.

Van de kast gevallen
– “Zou hij pijn hebben”, peinsde de stagiair.
– “Ik denk het wel”, zei ik, om ook maar een duit in het zakje te doen. Het leek me zelfs érg pijnlijk. “Maar prooidieren laten zich niet kennen. Ganzen zijn stoere beesten, net als kippen.”
– “Kippen zijn grappige beesten”, zei de stagiair nu. “We hebben ooit een krielkip gehad.”
Leuk, zei ik.
– “Ja, die liep gewoon in huis rond. Hij is een keer van de kast gevallen.”
– “Van de kast gevallen…”
– “Ja, en toen was ie dood.”
Kast. Dood. Waar ging dit verhaal heen?
– “We denken dat ie een hartstilstand heeft gehad”, vertelde de stagiair vertrouwelijk verder.
Een hartstilstand? Ik fantaseerde kort over de reanimatie van een kip, maar vermoedde dat er geen hartmassage en mond-op-snavelbeademing aan te pas was gekomen.
– “Was het een oud beestje?”, vroeg ik.
– “Nee, net een half jaar. Een heel leuk beest. Hij at mee met alles wat wij aten.”
Dit leek me een uitstekend moment om niet verder door te vragen.

Veelzeggend
Het begon te hagelen. En flink ook. Met bezwaard gemoed zag ik hoe de gans verder werd opgejaagd. Met de beste bedoelingen natuurlijk, maar toch. Het was me inmiddels duidelijk dat het beestje geen fraaie toekomst tegemoet ging. “Een open botbreuk”, had ik horen zeggen. “Zeker laag aan komen vliegen en dan door een auto geschept.” Daarna een veelzeggend hoofdschudden. Had ik achteraf gezien de gans niet beter nog wat tijd kunnen gunnen met z’n partner?
Ik taaide af.

Een telefoontje. “We hebben ‘m gevangen, maar kunnen inderdaad niets meer voor ‘m doen. De wond zit vol viezigheid, en vleugels zijn doorgaans toch al moeilijk te spalken. We brengen ‘m naar de dierenarts voor een spuitje. Dank je wel voor de melding.” Graag gedaan, dacht ik met gemengde gevoelens. In elk geval fantastisch dat ze zijn gekomen voor een wilde gans die nu een langzame dood bespaard blijft.

Zou ik achteraf bezien nog steeds een melding hebben gedaan? Nee. Nu maar hopen dat z’n partner niet nog dagenlang blijft wachten op datzelfde plekje. So far so good. 

 

 

De boomkruiper en de knotwilg

Tags

, , , ,


boomkruiper

Ooit vond ik vogeltjes het saaiste van het saaiste. Klein onaaibaar grut. Ze brachten geen ballen terug, hadden geen majestueze galop, en spurtten ook niet achter wollen draadjes aan. Het kan verkeren. Ik ben naar de vogeltjes toegegroeid of ernaar afgezakt – ik vind het allemaal best, want ik geniet me suf.

ganzencombiGisteren tuurde ik – handschoenen en muts op, want ijzig koud – gebiologeerd naar een paar grauwe ganzen die elkaar ten huwelijk vroegen. For better or for worse, want ganzen vormen een paar voor het leven. Het imponeertoneelstukje van jongeheer gans – op vrijersvoeten – was ontroerend. Eerst knus een beetje grazen, samen met het object van zijn adoratie. Om zich dan ineens, met lange nek dreigend, naar een stukje niemandsland  te reppen (‘Kijk, zo jaag ik belagers weg, zodat jij veilig bent’). Vervolgens terugkomen met hooggeheven vleugels (‘had je m’n spierballen eigenlijk al gezien?’). Tot slot een beetje kietelen onder haar kin. En de basis van die levensband voltrekt zich waar je met je koude neus bij staat.

Kiekeboe
Dan deze boomkruiper die rondspurt op de grillige schors van een knotwilg. Neem dat spurten gerust letterlijk, want van ‘kruipen’ is geen sprake. Het beestje sprint hoger en hoger, rent rondjes om de boom en speelt kiekeboe met mij en m’n fototoestel. En ik maar scherp proberen te stellen. Voor knotwilgen heb ik een ernstig zwak, vooral als ze geknot zijn en opdoemen in de mist; oude mannetjes. De schors ervan, met al die groeven en gapende kloven, is al net zo fotogeniek als het boomkruipertje. Mooi stel samen.

Voorjaar
Ook genieten: zo’n koolmeesje dat, met één schrander en gretig oogje op de pinda’s, zit te dubben welk nootje uit de ‘ruif’ hij zometeen soldaat gaat maken. Die of die? Verder zag ik Witje – ook een vogel, tenslotte – de krokussen bewonderen. Ik maak er graag van dat ze even aan ze stond te ruiken, kan mij het schelen. Krókusbolletje… Het voorjaar staat te trappelen.

 

 

Begrepen, slager! Die bomen doen we *well done*

Tags

, ,


ondergelopen3

“Het is in jaren niet zo lang nat geweest”, zei de man van landschapsbeheer hoofdschuddend. Hij knikte naar de modderpoelen en ondergelopen akkers waarlangs hij zojuist zijn trekker had genavigeerd en klapte de laadklep van z’n aanhanger omlaag. In de bak lag drie kuub van niet de kleinste boomstammen; voer voor onze houtkachel voor volgend jaar.

natEen week eerder informeerden we bij onze landschapsbeheerburen of ze onlangs nog wat hadden gekapt. Malle vraag. Natuurlijk hadden ze dat. En ja hoor, onze kachel zou daarvan prima een tijdje kunnen snorren. En omdat we toch buren zijn – want we doen hier niet kinderachtig over enkele honderden meters verderop – kwamen ze het hout wel even brengen. Dus stond er nu een indrukwekkende trekker/aanhanger/versnipperaar /kettingzaag-combi voor het huis te ronken.

Vervaarlijke dreun
Onze landschapsbuur, in stemmig groen, kantelde de aanhanger, waarna de voorste stammen al meteen naar beneden rolden en met een vervaarlijke dreun op de aarde ploften. (Belangrijk: niet bij de achterklep blijven staan om alles goed te willen zien). Daarna sprong hij de trekker in, gaf gas en reed een eindje vooruit. Achter hem bonkte een lawine aan hout de laadbak uit.

“Het is van alles wat”, lichtte hij zijn assortiment toe. “Eikenhout, els, berk.” Hij wees ernaar als een trotse slager die zijn vleeswaren aanprijst, en met bijbehorende bereidingsadviezen: “Deze boom was al dood. Die is na een half jaartje wel droog genoeg om te stoken. Maar dit – een armzwaai over de gehele voorraad – moet je zeker een jaar laten liggen.” Begrepen slager! Die ene doen we rare of medium, en alle andere well done. We zullen ze lekker laten braden in de heteluchtoven van de wind en het zonnetje.

boomstammen

IJzige kristallen en diamanten, nevel en zon


lantaarnpaalbewerkt

Roestige lantaarnpaal tegen de achtergrond van nevelige grienden, de contouren aangezet.

Versluierd ochtendlicht, zag ik uit het raam. En fraai berijpte halmen en takken. Sprookjesachtig. Maar ik zag ook een zonnetje doorkomen dat spoedig korte metten ging maken met alle ijzige kristallen en diamanten. Als ik nog wat foto’s wilde maken, moest ik snel zijn. 

gras

Boven: De zon kwam hier net een beetje door. De achtergrond hulde zich nog grotendeels in de grijstonen van de voorbije nacht en alleen de gele blaadjes vingen de eerste dunne zonnestralen.

‘Hee, wat een vrolijke kaardebol’, dacht ik, toen ik dit punkhoofdje zag, armpjes onderaan juichend omhoog. Daarnaast een omgekeerde kroonluchter van fluitekruid.

landschap

Ondergelopen akkers en een indringend vlammende zon. En dan geen lenskap meenemen. En dus zaten er in elke hoek van deze foto rode zonnevlekjes – lens flare. Onder het mom ‘maak van je zwakte je sterkte’ zette ik ze nog wat extra aan en gooide er een filtertje overheen. Ik vind dit eigenlijk wel een lekker buitenaards sfeertje zo.

De borende blik van een magnifiek beest

Tags

, ,


buizerd

Hola, ik schrik me een hoedje. Argeloos opkijkend uit een boek, is dit het eerste wat ik zie: de borende blik van dit magnifieke beest, tronend in de kronkelhazelaar. En ik weet toch zeker dat ik niks van ‘m aan heb. Wacht, de kippen. Die lopen nog ergens rond.

Zo kwam het dat ik weer eens molenwiekend naar buiten rende, terwijl ik dacht: u is een roofvogel, meneer of mevrouw buizerd. U hoort schuw te zijn en u ver verheven te voelen boven aangelegde perkjes en burgerlijke waslijnen, zoals die ene waarnaast u neergestreken bent.

Daar dacht de buizerd anders over. Pas op het allerlaatste moment verhief ie zich, loom en niet onder de indruk. Toch fijn. Want dat zou nog eens een treurig schouwspel zijn geweest: dat na al mijn poeha dat beest er gewoon nog zit. En wat dan? Een ongemakkelijke stilte, misschien. Een krassende kraai in de verte, een voorbijrollend korstmosbolletje, en heel waarschijnlijk iemand die achterwaarts de aftocht blaast en zich voorneemt de volgende keer een bezem mee te grissen.

Groene specht
Nee, dan de groene specht die deze week driftig allemaal mosjes op het dak omkeerde op zoek naar insecten. Best een grote vogel, eigenlijk. Ik zag ‘m net even eerder dan hij mij, maar toen was ie ook meteen weg. Kijk, dát had nou juist weer niet gehoeven.

De kippen waren veilig, trouwens. Met iets van een zesde kippenzintuig bleken ze al eerder te zijn teruggedrenteld naar hun huisje. (Hieronder nog enkele foto’s. Let ook op het kuifje.)

De perfecte schutkleur voor een ‘sneeuwkip’

Tags

,


schutkleur
Nee, ze wilden niet naar buiten, de zusjes kip. Het was een gedraal van jewelste achter het deurtje van de ren. En een spatsies! ‘Pèp-pèp-pèp’, kregen we te horen, in drievoud. Vrij vertaald ook wel: ben je besode-mieterd, ik zet nog geen teen in die rare witte aarde – koud ook nog.

Het mag duidelijk zijn: dit was hun eerste kennismaking met sneeuw. En omdat Foppe er niet was om ze bij dit avontuur op sleeptouw te nemen, moesten ze het toch echt helemaal zelf uitvogelen. Het banjeren door de sneeuw gaat nog steeds niet helemaal van harte, maar kijk die schutkleur nou. Alsof ze ervoor gemaakt zijn, onze sneeuwkippen.

Hieronder een filmpje van kippen (witte leghorns) die voor het eerst sneeuw zien, en dan geen drie, maar 3.000!

Afscheid van Foppe en z’n sopraantje

Tags

, ,


foppe's laatste dag

Al was Foppe nog in de rui, hij had al weer een aardig staartje gekregen.


Het komt niet vaak voor, maar dit bericht schrijf ik met grote tegenzin. Toch moet het gebeuren. Foppe verdient deze plek. Het haantje dat dapper met schorre stem door een verkoudheid heen bleef kukelen, kwam die kwaal niet meer te boven.

Als Foppe nieste, hoorde je een aandoenlijk hoog piepje, al was het dier nog zo stoer: tsjie! Hij kon niezen als het stoffig was, of als hij z’n snavel te diep in de waterbak had gestoken. En zo nieste hij onlangs ook en schudde daarbij met z’n kop. Net zoals anders.

Het eerstvolgende wat we merkten, was z’n schorre kukel. Hee, Foppe is verkouden, zeiden we. En we gaven hem wat extra lekkere en vitaminerijke hapjes, en letten erop dat ie goed at. De kukel leek soms op te klaren, maar soms ook niet. Foppe zelf was nog net zo tierig als altijd. En toen hoorden we ineens gereutel als hij het trappetje van z’n nachthok afliep en –  doef! – met z’n tweëenhalve kilo op de grond belandde.

foppe close upDe dierenarts onderzocht Foppe, wiens kam en lellen blauw kleurden van zuurstofgebrek, zo zwoegend haalde hij van de weeromstuit adem. Nee, er zat niets in z’n keel. Foppe kreeg een antobioticakuur en – om de luchtwegen te verruimen – twee spuiten in z’n dijen die hij manhaftig doorstond. We hadden er een dozijn andere haantjes van kunnen kopen, maar dit was toevallig wel Foppe.

cropped-border.jpg
Z’n laatste dag was een mooie, warme herfstdag. Samen met Spikkel, Saar en Witje scharrelde hij door de tuin, sprong stenen muurtjes op en af en baadde in het zonnetje. Wel zat hij ongebruikelijk vroeg in het nachthok, waar ik hem reutelend aantrof. Wel potverdrie, hoezo nou toch dat gereutel? Hij zat nu notabene rustig te zitten.

Ik overlegde met de dierenarts en sprong op de fiets om een aanvullende kuur te halen. Bij terugkomst zat Foppe niet meer in het nachthok. Met beklemd hart ging ik op zoek en vond hem liggend onder z’n lievelingsstruik, nekje gebogen en het kopje verstopt onder z’n borst. Op deze plek had hij kennelijk liever willen sterven dan binnen.

witjeLater die dag legde ik Foppe zo neer dat Spikkel, Saar en Witje afscheid konden nemen. Je probeert eens wat. Het protocol was niet aan de kippen besteed. Saar draafde rakelings langs ‘m heen naar mij, omdat ze dacht dat ze wat lekkers kreeg, en de anderen hielden hooguit hun pas even in.

Maar toen we Foppe meenamen om ‘m te begraven, dromden ze uit zichzelf kort samen – op en rond de boomstam waar we ‘m even hadden neergelegd.

Gezonde kippennuchterheid. En prima zo. Maar wij missen Foppe en z’n hese sopraantje, waarmee hij elke ochtend een nieuwe dag aankondigde.

——————————————————————————-
Kippen zijn prooidieren en verbergen daarom lang dat ze ziek, zwak of misselijk zijn om roofdieren niet op een idee te brengen. Tel daarbij op dat kippen stoere, taaie rakkers zijn, en de kans is groot dat je te laat merkt hoe de zaken er echt voor staan. Ik zeg het maar. Een gewaarschuwd mens telt voor twee.

Foppe in de rui niet helemaal zichzelf

Tags

, , ,


Links: in kleurig galakostuum met lange staartveren. Rechts: afgedragen rui-kostuum zonder staart, mét mottig nekje en zichtbare ‘binnenvulling’.

Foppe (de haan) is in de rui als voorbereiding op de winter. Hij heeft tijdelijk de indianentooi van z’n staart ingeruild voor het praktisch staartloze gatje van een hoen. Ook z’n eens zo imponerende verenkraag dunt uit en onthult een goed bewaard geheim: een ielig nekkie.

foppe stekelsIII

Nieuwe veren in de maak: nu nog ogend als stekeltjes.

Stripfiguurtje Hiawatha.

Stripfiguurtje Hiawatha.

.Toen de allerlaatste staartveer op omvallen stond, haalde ik snel m’n fototoestel om dit Hiawathamoment vast te leggen. Te laat. Foppe had net z’n laatste lange veer gelaten en keek schaapachtig van mij naar de camera. Oh well.

Gelukkig voor hem zijn de nieuwe veren al in de maak; slagpennen omhuld door beschermende vliesjes. Ze ogen als stekeltjes. Ik doopte dit eerder al eens ‘de egelcoupe’.

scheef koppie

Kopje schuin: roofvogelalarm.

Roofvogelalarm
Foppe is ook niet helemaal z’n alerte zelf. Normaal roeptoetert hij enorm bij overvliegend gevaar, zoals buizerds, al doet hij dat ook bij duiven en ehm… vliegtuigen hoog in de lucht. Maar momenteel ontgaat hem weleens wat.

Gelukkig zijn de kippen er ook nog. En zo kan het gebeuren dat Foppe met z’n kop in de etensbak hangt, terwijl Spikkel ineens het kopje schuinhoudt. Wij herkennen daarin inmiddels het kippensignaal: ‘enge-vogelalarm’.

roofvogelTurend naar boven moeten we dan vaak het luchtruim nog uitgebreid afspeuren om tenslotte een piepklein stipje te ontdekken dat we – pas na flink inzoomen – inderdaad kunnen herkennen als roofvogel. Niks mis met die kippenogen.